Rb. Rotterdam 14 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD4102

Inhoudsindicatie: Internationaal bevoegdheidsincident. Art. 1 CMR. Art. 31 CMR. Art. 5 sub 1 EEX-Vo. Art. 5 sub 3 EEX-Vo. Belanghebbenden bij een lading chemicaliën die onder een cognossement, dat betrekking heeft op het zeevervoer van New Orleans naar Rotterdam, uiteindelijk over zee is vervoerd van New Orleans naar Antwerpen, stellen een vordering tot schadevergoeding in tegen de zeevervoerder uit Hong Kong en twee Belgische bedrijven voor schade aan de lading tijdens (wegvervoer)werkzaamheden in de Antwerpse haven. Een van deze Belgische gedaagden begint een internationaal bevoegdheidsincident (de ander laat verstek gaan). De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid om kennis te nemen van de vordering tegen het verschenen Belgische bedrijf niet kan volgen uit art 31 CMR, omdat eiseressen niet aan hun stelplicht hebben voldaan met betrekking het bestaan van een wegvervoerovereenkomst als bedoeld in art 1 CMR, zodat de bevoegdheidsregeling van art 31 CMR niet aan de orde komt. Aan de artt 5 sub 1 en 5 sub 3 EEX-Vo kan de rechtbank evenmin bevoegdheid ontlenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen