Rb. Rotterdam 17 maart 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC6838

Reiskostenvergoeding ambtenaar woon-werkverkeer. Met betrekking tot de vraag of plaats van tewerkstelling doelmatig bereikbaar is per penbaar vervoer heeft verweerder beoordelingsvrijheid. Verweerder heeft derhalve de vrijheid om tot uitgangspunt te kiezen dat, wanneer de arbeidslocatie dat mogelijk maakt, in beginsel gereisd dient te worden per openbaar vervoer en dat aan de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten van eigen vervoer pas wordt toegekomen als de arbeidslocatie niet (doelmatig) per openbaar vervoer bereikbaar is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 7 juli 2005 (TAR 2005, 174). In dit kader moet naar het oordeel van de rechtbank de zin in de toelichting bij artikel 12a in het RPVB dat “de woonplaatskeuze van de ambtenaar daarbij geen rol speelt” worden begrepen, namelijk dat de plaats van tewerkstelling leidend is ter beantwoording van de vraag of de plaats van tewerkstelling niet (doelmatig) per openbaar vervoer bereikbaar is. De beroepsgrond van eiser dat geen sprake is van woonplaatskeuze nu hij niet is verhuisd sinds de totstandkoming van het thans geldende VPKB, kan gelet hierop niet slagen. Met betrekking tot eisers beroep op de hardheidsclausule op grond van artikel 15, eerste lid, van het VPKB is aan verweerder beoordelings- en beleidsvrijheid toegekend, zodat de rechtbank verweerders oordeel hieromtrent terughoudend dient te toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden alle zijn terug te voeren op zijn woonplaats. Nu de plaats van tewerkstelling bij toepassing van de vergoeding woon-werkverkeer op grond van het VKPB leidend is, kan toepassing van artikel 15, eerste lid, van het VKPB er in beginsel niet toe leiden dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt dat de woonplaats van de ambtenaar geen rol kan spelen. Bij de totstandkoming van het VKPB is blijkens de bewoordingen van artikel 12a van het VKBP met deze omstandigheid rekening gehouden. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot onder meer zijn privéleven en de duur van zijn reistijd niet als zodanig schrijnend kan worden aangemerkt dat verweerder in redelijkheid niet kon afzien van toepassing van de hardheidsclausule.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen