Rb. Rotterdam 7 augustus 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BD0048
Kop: Ondanks het ontbreken van differentiatie in de forfaitaire systematiek van de verontreinigingsheffing is er geen sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Samenvatting: Artikel 18 van de Verordening verontreinigingsheffing, waarin is bepaald dat de vervuilingswaarde van een woning op ten hoogste 3 vervuilingseenheden en die van een woonruimte die door één persoon wordt gebruikt op aanvraag van de gebruiker, op 1 vervuilingseenheid wordt vastgesteld, is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, van de Wet. De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis om verschillende redenen - waaronder de hoge uitvoeringskosten - afgezien van een heffing op basis van de feitelijke woningbezetting. Niet kan worden gezegd dat de gemeentelijke regelgever met artikel 18 van de Verordening zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Aan de in die bepaling neergelegde forfaitaire systematiek van de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor woonruimten ligt een redelijke en objectieve rechtvaardiging ten grondslag. Er is geen sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing.
De uitspraak op rechtspraak.nl