Rb. Rotterdam 15 augustus 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB3494
Internationale rechtsmacht en bestuurdersaansprakelijkheid. Vordering tegen (gewezen) Noorse bestuurder van Nederlandse vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige daad. Bestuurder zou zich ten koste van de vennootschap hebben verrijkt door (indirect, via een eigen vennootschap) commissies en vergoedingen te bedingen van wederpartijen van de door hem bestuurde vennootschap. Geen internationale rechtsmacht op basis van art. 16 sub 2 EVEX, wel op grond van art. 5 sub 1 EVEX. Verdragsautonome uitleg van art. 5 sub 1 EVEX rechtvaardigt -in dit geval- mede gezien de doelstellingen van het verdrag dat de verbintenis van een bestuurder van een vennootschap tot behoorlijke vervulling van zijn bestuurstaak wordt beschouwd als een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 5 sub 1 EVEX. Nu de subsidiaire vordering uit onrechtmatige daad kan niet los worden gezien van de bestuurstaak van gedaagde valt ook deze vordering -gezien de verdragsautonome uitleg van art. 5 sub 1 en sub 3 EVEX- binnen het toepassingsbereik van art. 5 sub 1 EVEX. Ten aanzien van de verdere vorderingen is slechts het forum delicti bevoegd. Geen belang gebleken bij gevraagd verklaring voor recht. Onduidelijkheid omtrent de voor toepassing van art. 2:9 BW vereiste benoeming gedaagde tot bestuurder. Instructie aan eiseres tot uitwerken stellingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl