Rb. Rotterdam 27 juni 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB0269

inhoudsindicatie: Verzet op grond van art 25 WTBZ. Verzet gegrond. Aan de vennootschap onder firma was het maximum vastrecht geldend voor niet-natuurlijke personen in rekening gebracht. Een vennootschap onder firma als de onderhavige, waarvan de enige vennoten echtelieden zijn, neemt in de maatschappij een positie in die gelijk is te stellen aan die van een eenmanszaak. Ook in juridisch-technische zin is een dergelijke 'man-vrouw­vennootschap' geen volwaardige rechtspersoon. Op grond hiervan is voor dit type vennootschappen onder firma het vast recht geldende voor natuurlijke personen meer gerechtvaardigd. Maximum vastrecht voor natuurlijke personen levert in het concrete geval geen met artikel 6 EVRM strijdige beperking van de toegang tot de onafhankelijke rechter op.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen