Rb. Rotterdam 6 juli 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA9564

Aan eiseres is een boete opgelegd van € 300,- wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever met de invoering van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet heeft beoogd dat werkgevers het resultaat moeten bereiken dat werknemers in staat zijn hun werkzaamheden uit te oefenen zonder dat zij hinder of overlast van het roken door anderen ondervinden. Welk soort inspanningen (maatregelen) die werkgevers daartoe treffen, is niet dwingend voorgeschreven, als het resultaat maar wordt bereikt. Voorts kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat onder hinder en overlast moet worden verstaan het ondervinden van lichamelijke klachten (zoals gezondheidsklachten) en irritaties die het gevolg zijn van roken door anderen. Dat het meeroken aanzienlijke risico’s met zich brengt is inmiddels een feit van algemene bekendheid. Anders dan eiseres heeft betoogd is voor het aantonen van blootstelling aan tabaksrook niet vereist dat werknemers zelf aangeven hinder of overlast te ondervinden; lichamelijke klachten die het gevolg zijn van meeroken, treden immers op onafhankelijk van eventuele klachten van de betrokken persoon. Een ambtenaar kan tijdens een inspectie in beginsel volstaan met een organoleptisch onderzoek ter plaatse ten einde vast te stellen of sprake is van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is de mogelijkheid van hinder of overlast gegeven. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de ambtenaar met behulp van organoleptisch onderzoek op ten minste twee werkplekken een duidelijke tabaksgeur heeft waargenomen, waarbij de rechtbank er van uitgaat dat met tabaksgeur is bedoeld tabaksrook. Op beide kamers waren meerdere mensen werkzaam, en de kamers stonden net zoals de overige kamers in verbinding met een centrale gang. De ambtenaar heeft op deze gang, die ook is aan te merken als werkplek in de zin van de wet, ook een duidelijke geur van tabaksrook waargenomen, omdat de deur van een van deze kamers openstond. Gelet hierop heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres heeft nagelaten zodanige maatregelen te treffen dat haar werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden. Gesteld noch gebleken is dat de uitzonderingen van artikel 2 van het Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek zich in het onderhavige geval voordoen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen