Rb. Rotterdam 6 juli 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA9562
Aan eiseres is een boete opgelegd van € 300,- wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek, bezien in het licht van de wetsgeschiedenis, mee dat de onderhavige directiekamer niet kan worden aangemerkt als een rookruimte in vorenbedoelde zin. De kamer van de directeur is een werkplek, bedoeld om in te werken,en is niet door de werkgever speciaal aangewezen en ingericht als rookruimte. De omstandigheid dat de directiekamer is voorzien van een separate, niet op het algemene ventilatiesysteem van het gebouw, aangesloten afzuiging, maakt dit niet anders. De door eisers voorgestane uitleg van deze uitzondering zou de in artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet neergelegde hoofdregel nagenoeg illusoir maken. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever met de invoering van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet heeft beoogd dat werkgevers het resultaat moeten bereiken dat werknemers in staat zijn hun werkzaamheden uit te oefenen zonder dat zij hinder of overlast van het roken door anderen ondervinden. Welk soort inspanningen (maatregelen) die werkgevers daartoe treffen, is niet dwingend voorgeschreven, als het resultaat maar wordt bereikt. Voorts kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat onder hinder en overlast moet worden verstaan het ondervinden van lichamelijke klachten (zoals gezondheidsklachten) en irritaties die het gevolg zijn van roken door anderen. Dat het meeroken aanzienlijke risico’s met zich brengt is inmiddels een feit van algemene bekendheid. Anders dan eiseres heeft betoogd is voor het aantonen van blootstelling aan tabaksrook niet vereist dat werknemers zelf aangeven hinder of overlast te ondervinden; lichamelijke klachten die het gevolg zijn van meeroken, treden immers op onafhankelijk van eventuele klachten van de betrokken persoon. Een ambtenaar kan tijdens een inspectie in beginsel volstaan met een organoleptisch onderzoek ter plaatse ten einde vast te stellen of sprake is van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is de mogelijkheid van hinder of overlast gegeven. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de ambtenaar met behulp van organoleptisch onderzoek in zowel de gang, die is aan te merken als werkplek in de zin van de wet, waaraan onder meer de directiekamer was gelegen, als in de directiekamer zelf een duidelijke geur van tabaksrook heeft waargenomen. Voorts heeft de ambtenaar waargenomen dat er in de directiekamer een asbak stond waarin meerdere sigarettenpeuken lagen, alsmede dat de directiekamer tijdens de inspectie tevens de werkplek van (andere) werknemers van eiseres was omdat er werd vergaderd. Gelet hierop heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres heeft nagelaten zodanige maatregelen te treffen dat haar werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl