Rb. Rotterdam 6 juli 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA9498

In lijn van hetgeen de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 april 1993 (NJ 1993, 780) heeft bepaald, dient de regeling van artikel 14g lid 3 van het Wetboek van Strafrecht in het licht van de wetsgeschiedenis en het bepaalde bij artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering aldus te worden uitgelegd, dat de politierechter bevoegd is kennis te nemen van een of meer vorderingen tot tenuitvoerlegging van (deels) voorwaardelijk opgelegde straffen waarvan het voorwaardelijk deel voor zover daarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd, telkens ten hoogste twaalf maanden gevangenisstraf bedraagt en dat daarbij zijn bevoegdheid de tenuitvoerlegging te gelasten is beperkt tot een totale duur van twaalf maanden. Uit de memorie van toelichting bij wetsontwerp 18764 (nrs 1-3, p. 16/17) vloeit analoog redenerend voort dat het huidige art. 369 Sv zich er niet tegen verzet dat de politierechter naast de last tenuitvoerlegging van maximaal 12 maanden tevens een gevangenisstraf oplegt ter zake van het feit waarop de vordering was gegrond, ook al bedraagt de optelsom meer dan 12 maanden. De politierechter is derhalve bevoegd kennis te nemen van de vordering tot tenuitvoerlegging zoals ingediend door de officier van justitie, de hoogte van de eis met betrekking tot het tenlastegelegde nieuwe feit maakt dat niet anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen