Rb. Rotterdam 11 juli 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY5334

Nozema en BNT hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin zij afspraken hebben gemaakt omtrent het medegebruik van elkaars antenne-opstelpunten alsmede over het gebruik van elkaars antennes voor zover deze bestemd zijn voor het uitzenden van FM-programma’s. Ingevolge deze samenwerkingsovereenkomst brengt de partij die een verzoek om site-sharing ontvangt aan de verzoekende partij een sharing-prijs in rekening. Partijen zijn er, ondanks onderhandelingen, niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over de prijsbepaling, waarna BNT zich, tot verweerder heeft gewend met het verzoek om de regels vast te stellen die tussen Nozema en BNT zullen gelden voor het medegebruik van het antenne-opstelpunt. Verweerder besloten dat Nozema voor de berekening van een redelijke vergoeding voor het medegebruik van haar masten of antennes uit dient te gaan van de werkelijk gemaakte kosten vermeerderd met een rendement gelijk aan 6,4% van genoemde kosten voor het geval Nozema niet vennootschapsbelastingplichtig is en een rendement van 9,77% voor het geval Nozema wel vennootschapsbelastingplichtig is. De rechtbank is alleerst van oordeel dat de omstandigheid dat partijen arbitrage zijn overeengekomen niet betekent dat verweerder de aanvraag van een der contractpartijen om toepassing van 3.11 van de Tw naast zich neer moet leggen. Voorts is de rechtbank van oordeel gelet op de ongelijkwaardige verhouding tussen partijen verweerders keuze voor het baseren van de vergoeding voor het medegebruik van het antenne-opstelpunt Hilversum op de beginselen van kostenoriëntatie niet een onjuiste invulling van het wettelijke criterium “redelijke vergoeding” is. Met verweerder acht de rechtbank een afschrijvingstermijn van tenminste 15 jaar voor een antennesysteem redelijk en gerechtvaardigd. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder gezien de economische levensduur van de investeringen in antenne-opstelpunten van 8 jaar voor het bepalen van de risicovrije interestvoet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het gemiddelde effectieve rendement op staatsobligaties met een looptijd van 10 jaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen