Rb. Rotterdam 22 mei 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AX4814
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige sigarettensmokkel gedurende langere tijd. Om de sigaretten aan het oog van de douane te onttrekken werd tijdens transporten gebruik gemaakt van zogenaamde dekladingen. De bewezenverklaarde feiten hebben als resultaat gehad dat voor zeer grote bedragen aan accijns is ontdoken. Door het niet betalen van de accijns op bedoelde sigaretten is de Nederlandse staat benadeeld voor een groot bedrag. De raadsvrouwe heeft betoogd dat douanerechten zijn verschuldigd aan het land waar de sigaretten de Europese Unie zijn binnengekomen en derhalve de Nederlandse accijnsbepalingen niet zijn geschonden. De rechtbank verwerpt dit verweer aangezien uit het dossier is gebleken, dat de sigaretten zijn vervoerd vanuit Griekenland naar Nederland en niet is gebleken, dat de goederen vanuit een derde land in het grondgebied van de Gemeenschap zijn gebracht. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg in zijn arrest van 5 april 2001, C-325/99, voor recht verklaard dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben in het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, aldus moet worden uitgelegd, dat het enkele voorhanden hebben van een accijnsproduct in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn uitslag tot verbruik is, wanneer over dat product nog geen accijns is voldaan overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen en nationale wetgeving. Dat er accijns is voldaan is op geen enkele wijze gebleken. De rechtbank heeft bij de strafoplegging voorts rekening gehouden met de rol die verdachte in de criminele organisatie heeft gespeeld en de duur daarvan, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte vanaf 1 januari 2004 bij de criminele organisatie betrokken is geweest, het aantal bewezenverklaarde transporten en de omvang daarvan, en de overige hierboven omschreven werkzaamheden. artikelen 140 Sr 5 Wet op de accijns
De uitspraak op rechtspraak.nl