Rb. Rotterdam 1 juli 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AU5100

Het bevallingsverlof van de werkneemster eindigde op 25 juli 2004. Aansluitend heeft zij vakantie opgenomen. Vanaf 9 augustus 2004 heeft zij haar werk hervat. Op 12 augustus 2004 is zij vervolgens voor haar werkzaamheden uitgevallen en heeft zij zich ziek gemeld bij verweerder. De opvatting van verweerder, die er van uitgaat dat bij het bezien of er sprake is van ongeschiktheid “aansluitend” aan het bevallingsverlof doorslaggevend is de datum met ingang waarvan een werkneemster ziek is gemeld, is een onjuiste interpretatie van het vierde lid van artikel 29a van de ZW. “Aansluitend” aan het bevallingsverlof betekent in dit artikellid onmiddellijk volgend op het bevallingsverlof, waarbij geduid wordt op de objectieve omstandigheid dat er van een dergelijke omstandigheid sprake is. Het artikellid legt derhalve aan verweerder in voorkomende omstandigheden de plicht op om te onderzoeken of een werkneemster aansluitend aan haar bevallingsverlof naar objectief medisch inzicht al dan niet geschikt was om haar arbeid te verrichten. Verweerder heeft in deze zaak niet aan deze onderzoeksplicht voldaan en daarom zijn er geen redenen om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder heeft ten onrechte aan een subjectieve, van de wil van partijen afhankelijke, omstandigheid als de datum waarop de ziekmelding heeft plaatsgevonden, doorslaggevend gewicht toegekend. Niet alleen is een dergelijke uitleg van artikel 29a, vierde lid, van de ZW onjuist, deze uitleg zou tevens het onwenselijke gevolg hebben, zoals ook de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangegeven, dat geen enkele werkgever het een werkneemster nog zou toestaan om aansluitend aan het bevallingsverlof vakantie op te nemen en zo het risico van een loondoorbetalingsverplichting te lopen. Art. 29a, vierde lid, ZW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen