Rb. Rotterdam 22 juli 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AU0709
In beginsel is juist dat feitelijke vergoeding van hoortoestellen door het ziekenfonds aan toekenning van een voorziening of vergoeding ingevolge de Wet REA in de weg staat. Niet kan worden aanvaard dat geen gehele vergoeding plaatsvindt op grond van de Wet REA, maar slechts gedeeltelijke vergoeding op grond van de Ziekenfondswet, zonder dat is beoordeeld of sprake is van een werkgeïndiceerde voorziening. Aanvaarding daarvan zou betekenen dat eiseres had moeten beslissen om af te zien van het aanvragen van een verstrekking bij het ziekenfonds dan wel om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de begunstigende beslissing van het ziekenfonds, afhankelijk van een eigen inschatting of sprake is van een voorziening die vrijwel uitsluitend geïndiceerd is voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie, zonder dat daaromtrent van de zijde van verweerder of het ziekenfonds uitsluitsel is gegeven. Zulks acht de rechtbank niet verenigbaar met een redelijke uitleg van art. 31, eerste lid, Wet REA jo. art. 2, eerste en tweede lid, Reïntegratie-instrumentenbesluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl