Rb. Rotterdam 20 juni 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AT8213
Verweerder heeft op basis van de situatie ter plaatse, onder meer de ligging van de huisjes, de onderlinge afstand en de materialen waaruit de huisjes zijn opgebouwd, en op grond van ervaring en deskundigheid van medewerkers van de afdeling Bouwtoezicht en de brandweer geconcludeerd dat niet aan de vereiste weerstand van 20 minuten is voldaan. Hierdoor is volgens verweerder sprake van overtreding van de in artikel 2.113, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 gestelde prestatie-eis. Aangezien de in het Bouwbesluit 2003 aangewezen bepalingsmethode (NEN 6068) niet kan worden toegepast komt verweerder een zekere mate van vrijheid toe om te beoordelen of aan de gestelde prestatie-eis en daarmee aan de functionele eis is voldaan. De rechtbank leidt dit met name af uit de nota van toelichting waaruit blijkt dat bij het ontbreken van een prestatie-eis ten genoegen van verweerder moet worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank komt verweerder ook een dergelijke beoordelingsruimte toe, indien wel sprake is van een prestatie-eis, maar niet aan de hand van de bepalingsmethode kan worden vastgesteld of aan deze eis is voldaan. Het is niet in strijd met de systematiek van het Bouwbesluit 2003 om een verdeling te maken van brandcompartimenten van 1000 m², waarbij de recreatiehuisjes worden gezien als subbrandcompartimenten. Met betrekking tot de subbrandcompartimentering overweegt de rechtbank dat verweerder hierbij terecht aansluiting heeft gezocht bij het bepaalde in paragraaf 2.14.2 van het Bouwbesluit 2003, nu het hier gaat om gebouwen met een logiesfunctie. Verweerder heeft eisers terecht aangeschreven om uit een oogpunt van brandveiligheid voorzieningen te treffen en daarbij alternatieven naar voren te brengen. Bij terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vastgesteld op € 644,-- en bepaald dat de rechtbank omtrent de vergoeding van deze kosten dient te beslissen. Het gaat daarbij om kosten van een rechtspersoon die geen partij is in dit geding. Hoewel het niet in overeenstemming is met artikel 8:75 van de Awb om die kosten in deze procedure te betrekken, ontstaat bij het achterwege laten van een dergelijke veroordeling een lacune, die in het kader van een goede rechtsbescherming als ongewenst moet worden beschouwd. Hierdoor heeft het naar het oordeel van de rechtbank de voorkeur om - ter uitvoering van de opdracht van de Afdeling - in afwijking van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die deze rechtspersoon heeft moeten maken in verband met het door haar ingestelde hoger beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl