Rb. Rotterdam 24 maart 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AT2544

De jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is niet zo eenduidig, dat daaruit zonder meer valt af te leiden dat - buiten de in het beleid van verweerder genoemde gevallen - de ten onrechte betaalde premies nooit gerestitueerd zouden hoeven worden. Eiseres en de betrokken verzekerden had ten tijde van de wijziging in de aandelenverhouding duidelijk moeten zijn dat die wijziging consequenties zou kunnen hebben voor de verzekeringsplicht. Niet gebleken is dat verweerder met deze wijziging bekend was en evenmin dat verweerder met die wijziging redelijkerwijs bekend heeft moeten zijn. De rechtszekerheid stond er niet aan in de weg dat verweerder met terugwerkende kracht ten nadele van de verzekerden terugkomt van de beslissing tot verzekeringsplicht en - indien daarop aanspraak zou zijn gemaakt - van een beslissing tot toekenning van een uitkering zou zijn teruggekomen. Het door verweerder gelopen risico is derhalve beperkt tot het geval dat ten onrechte tot uitkering zou zijn overgegaan en verweerder ook achteraf de onjuistheid - wegens het ontbreken van verzekeringsplicht - van de toekenning niet of niet tijdig zou hebben onderkend. Dit risico is afhankelijk van de oplettendheid van verweerder en heeft zich in het onderhavige geval ook niet gemanifesteerd. Dat verweerder niet gehouden is om de premies die eiseres onverschuldigd heeft betaald, te restitueren, is onvoldoende gemotiveerd. Strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Eiseres heeft er derhalve geen belang bij dat het bestreden besluit omdat de beslistermijn is overschreden wordt vernietigd, nu niet is gebleken dat eiseres daardoor op zichzelf nadeel heeft geleden. Een te laat genomen besluit is voorts onrechtmatig is wanneer: a. de totale duur van de procedure zo lang is dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden; b. die overschrijding geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming door het bestuursorgaan; c. de belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij er prijs op stelt dat de bestuursrechter hem met toepassing van artikel 8:73 van de Awb compensatie verschaft voor de schade die is ontstaan als gevolg van het bestuurlijk aandeel in de termijnoverschrijding; en d. het bestuursorgaan niet of niet afdoende aan de belanghebbende is tegemoetgekomen, bijvoorbeeld door af te zien van de heffing van rente over een bij de belanghebbende in te vorderen bedrag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen