Rb. Rotterdam 24 januari 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AS3661
Ingevolge de artikelen 85 e.v. van de Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) zijn (voormalige) AIVD-functionarissen, zoals verdachte, gebonden aan een wettelijke geheimhoudingsplicht t.a.v gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Van die gegevens kunnen staatsgeheimen deel uitmaken. Er is geen wettelijk of ander voorschrift dat uitdrukkelijk bepaalt dat de geheimhoudingsplicht en het verbod tot onthulling van staatsgeheimen niet geldt als een AIVD-functionaris als verdachte wordt aangemerkt en hij door die geheimhoudingsplicht wordt beperkt in zijn mogelijkheden om vrijelijk met zijn raadsman of -vrouw te communiceren dan wel door die geheimhoudingsplicht op andere wijze wordt belemmerd in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten In de uitspraak van het EHRM van 23 april 1997 (Van Mechelen vs. Nederland, NJ 1997, 635) is bepaald dat vanwege het belang van het recht op een eerlijke behandeling inbreuken op verdedigingsrechten alleen zijn toegestaan indien deze strikt noodzakelijk zijn. In dat geval moet worden gekozen voor de minst vergaande inbreuk. Voor zover, bijvoorbeeld wegens redenen van staatsveiligheid, beperkingen worden aangebracht op verdedigingsrechten van de verdachte dienen deze -zo mogelijk- op voldoende wijze te worden gecompenseerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl