Rb. Rotterdam 29 december 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AS3776

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het belang van het betrokken kind verlangt dat het eerder (dan op 4 jarige leeftijd) wordt toegelaten. Zij beroept zich daarmee op het tweede lid van artikel 39 van de WEC. Uit de wijze van formulering van artikel 39, tweede lid, van de WEC volgt dat er in situaties als deze sprake is van een tweetal ‘toetsmomenten’. Het gaat allereerst om een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De voorzieningenrechter dient de wijze van gebruikmaking van die bevoegdheid terughoudend te toetsen. Voorts dient de vage norm “in het belang van het kind” te worden ingevuld. Verweerder heeft de toepassing van artikel 39, tweede lid, van de WEC aldus ingevuld, dat hij in kwesties als de onderhavige een ontheffing van de minimumtoelatingsleeftijd van 4 jaar met 26 weken toelaat, met het oogmerk dat het kind op deze wijze beter wordt toegerust voor het volgen van onderwijs, opdat het vanaf 4 jaar zijn mogelijkheden zo optimaal mogelijk kan benutten. Onder bijzondere omstandigheden kan een ontheffingstermijn van meer dan 26 weken aangewezen zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wijze waarop verweerder invulling geeft aan het begrip “in het belang van het kind” niet in strijd is met artikel 39 van de WEC en dat de wijze waarop verweerder overigens vorm geeft aan de uitoefening van de hem toekomende bevoegdheid blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Verweerder acht in het geval van A. B, geboren op 31 augustus 2001 en een kind met ernstige spraaktaalmoeilijkheden, geen zodanig bijzondere omstandigheden aanwezig die hem hadden moeten nopen om af te wijken van zijn 26-weken-beleid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder die opvatting, zowel in het bestreden besluit als ter zitting, voldoende gemotiveerd. Door en namens verzoekster is hier te weinig tegenover gesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen