Rb. Rotterdam 15 oktober 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AR5016

Een extensieve interpretatie van artikel 34, zevende lid, van de WW, die er op neer komt dat de WW-uitkering die eiser naast zijn dienstbetrekking genoot, met een dienstbetrekking wordt gelijkgesteld, zou er toe leiden dat artikel 34, eerste lid, van de WW toepassing zou missen in alle gevallen waarin een werknemer minder gaat werken, in verband daarmee een gedeeltelijke WW-uitkering ontvangt en vervolgens het resterende dienstverband beëindigt door vervroegde uittreding. In de tekst van artikel 34, zevende lid, van de WW vindt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever dergelijke vèrstrekkende consequenties heeft beoogd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen