Rb. Rotterdam 6 augustus 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AQ6954

Internationale wetenschappelijke onderzoeksresultaten geven geen eenduidig antwoord op de vraag binnen welke (exacte) minimum- en maximumgrenzen de (dagelijkse) consumptie van jodium gelegen dient te zijn om tot een optimale jodiumvoorziening te komen. Onder deze omstandigheden is het Nederland op basis van het hiervoor omschreven voorzorgsbeginsel toegestaan een maximumgrens van 600 mcg. per persoon per dag te hanteren, indien althans deze grens gebaseerd is op de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens en de meest recente resultaten van internationaal onderzoek en indien de vaststelling van deze grens objectief en niet discriminerend is. Aan eerstgenoemde voorwaarde wordt voldaan, nu het (onbetwist betrouwbare en recente) SCF-rapport steun biedt aan de opvatting dat bij een consumptie van meer dan 600 mcg. jodium per dag een man in de leeftijdscategorie van 19 tot 65 jaar (een categorie waarvan aannemelijk te achten is dat zij een belangrijke gebruikers- en doelgroep van de instant-maaltijden vormt) een (ernstig) risico loopt. Ook aan de tweede voorwaarde wordt voldaan. De vaststelling van een maximumgrens van 600 mcg. per dag per persoon is immers gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en dus objectief. Voorts is die vaststelling niet discriminerend, aangezien deze grens er zich toe leent om in gelijke gevallen op gelijke wijze toegepast te worden en gesteld noch gebleken is dat verweerder bij de toepassing van zijn bevoegdheid ex artikel 16, tweede lid, van de Warenwet tussen verschillende producten ongerechtvaardigd onderscheid maakt. Toelating van de instant-maaltijden tot de Nederlandse markt is immers in strijd met het Nederlandse “veel in weinig”-beleid, welk beleid (zo volgt uit hetgeen zojuist is overwogen) op basis van het voorzorgsbeginsel niet in verband met artikel 28 EG-Verdrag ontoelaatbaar te achten is, terwijl die toelating voorts vanwege de werking van het gelijkheidsbeginsel dat (toelaatbare) beleid in essentie zou ondergraven. Blijkens het beleid wordt aangenomen dat het veilig niveau van inname door bepaalde groepen consumenten gerealiseerd wordt, zodat ontheffing slechts plaats kan vinden als de toevoeging voorziet in een werkelijke behoefte die verband houdt met de voeding zonder de gezondheid van zowel de doelgroep als mogelijke andere gebruikers in gevaar te brengen. Dit beleid is noch onjuist noch onredelijk. Dit beleid perkt weliswaar de ontheffingsmogelijkheid van artikel 16, tweede lid, van de Warenwet in maar maakt deze niet onmogelijk, terwijl die inperking haar rechtvaardiging in waarborging van de volksgezondheid vindt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen