Rb. Rotterdam 14 juli 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AQ5811

Nu in deze procedure onweersproken is gesteld dat belanghebbende zijn vrouw reeds had verlaten ten tijde van de periode waarover de bijstand is herzien en de vrouw nadien als zelfstandig subject van bijstand in aanmerking is gebracht voor een bijstandsuitkering was ten tijde in geding reeds sprake van een duurzaam gescheiden leven als bedoeld in art. 3 lid 2 Abw. Burgemeester en wethouders hadden de herziening en terugvordering dan ook uitsluitend kunnen baseren op het verschil in de toegekende bijstand en de achteraf gezien toepasselijke bijstandsnorm voor de vrouw en niet op de verzwegen inkomsten van belanghebbende. Voor de herziening is niet relevant wie van de echtgenoten daartegen opkomt nu de gezinsbijstand ingevolge art. 13 lid 3 Abw ondeelbaar is. Voor de hoofdelijke aansprakelijkheid geldt echter wel dat die voor belanghebbende pas in het leven wordt geroepen door een aan hem gericht terugvorderingsbesluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen