Rb. Rotterdam 25 maart 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AO7022
Artt. 1:3 van de Awb alsmede 6 en 17 van de Mededingingswet Het standpunt van verweerder omtrent de voorwaarde van de onafhankelijkheid van de lidmaatschapsprocedure van eiseres dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een andersluidend oordeel zou ertoe leiden dat eiseres slechts in haar gerechtvaardigde verlangen om duidelijkheid had kunnen voorzien door haar statuten ongewijzigd te laten en daardoor het risico te nemen dat na afloop van een - gezien het principiële karakter van het geschil - waarschijnlijk geruime tijd in beslag nemende procedure zou blijken dat haar statuten wegens strijd met artikel 6, eerste lid, van de Mw van aanvang af nietig zijn geweest, waarbij nog het gerede risico dat een boete zou worden opgelegd. Een dergelijke weg moet voor eiseres als onevenredig belastend worden beschouwd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de lidmaatschapsprocedures, zoals die vastgelegd waren in de oude statuten van eiseres en in de (concept)reglementen van de bedrijfsgroep Zonne-energie en van de bedrijfsgroep S-installateurs, de mededinging beperken in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Mw.
De uitspraak op rechtspraak.nl