Rb. Rotterdam 9 maart 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AO5810

(Beroepscommissie van de) Stichting Informatiedienstencode (Stic) is geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Mede gelet op de toelichting bij artikel 3 van het Besluit erkenningseisen instelling en aansluitingsplicht platformaanbieders is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd, dat met de erkenning van een instelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.11 van de Tw geenszins is beoogd een rechtspersoon in het leven te roepen die krachtens publiekrecht is ingesteld. De rechtspersoonlijkheid van Stic wordt ontleend aan het privaatrecht, zonder dat enige publiekrechtelijke basis aanwezig is daarvoor. Stic is bovendien geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Met betrekking tot de specifieke situatie van Stic merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat artikel 4.11 van de Tw aan de bevoegde Minister een discretionaire bevoegdheid geeft om een instelling te erkennen en hem niet verplicht tot een dergelijke erkenning over te gaan, hetgeen erop duidt dat er geen sprake is van een verplichte in de wet opgenomen publieke taakstelling. Bovendien is niet door eiseres weersproken dat door de telecommunicatiedienstenaanbieders is gepleit voor zelfregulering. De telecommunicatiesector heeft zelf het initiatief genomen tot het oprichten van een dergelijke gedragscodecommissie, waarbij overigens naast Stic ook andere instellingen kunnen worden erkend. De erkenning door de Minister leidt derhalve enkel tot een publiekrechtelijke legitimatie, teneinde één of meer effectief opererende instellingen te waarborgen. Voorts merkt de rechtbank op dat de desbetreffende (door de Klachtencommissie) opgelegde sancties niet uit de Tw volgen. Daarenboven wijst de rechtbank erop dat Stic met name wordt gefinancierd door bijdragen van de (aangesloten) platformaanbieders en dat uit de (klacht)procedure die in het Reglement is vastgelegd (korte beroepstermijn en betalen griffierecht) volgt dat niet bedoeld is (bestuurs)besluiten te nemen in de zin van de Awb. De rechtbank acht bovendien geen grond aanwezig verweerster aan te merken als een instelling die een publieke taak vervult in de zin van het zogenoemde publieke-taak criterium. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 4.11 van de Tw, deze bepaling is opgenomen ter ondersteuning van het door aanbieders van telecommunicatiediensten tezamen met aanbieders van informatiediensten genomen initiatief om, in het belang van hun sector, te komen tot zelfregulering op het terrein van informatiediensten. Met de erkenning zoals geregeld in artikel 4.11 van de Tw is niet meer dan een waarborg geschapen voor één of meer correct opererende instellingen. Hiermee kan niet gesteld worden dat bedoeld is een specifieke overheidstaak in het leven te roepen, hetgeen te meer geldt nu de Minister niet direct betrokken is bij de oprichting van een (te erkennen) instelling, er geen sprake is van (directe) inhoudelijke bemoeienis met de activiteiten van (in dit geval) Stic en de te hanteren sancties niet bij wet zijn vastgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank niet vast kunnen stellen dat Stic een publieke taak vervult als gevolg van een handeling dan wel opdracht, waarbij sprake is van enige invloed van de overheid (institutionele verstrengeling). Uitspraak vernietigd in hoger beroep: LJN AS6707

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen