Rb. Rotterdam 6 februari 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AO4106
het college van bestuur van de Stichting Hogeschool Rotterdam heeft geweigerd over te gaan tot restitutie van collegegeld over een onderwijstijdvak waarin de aanvrager als de student stond ingeschreven, maar niet of nauwelijks gebruik heeft gemaakt of heeft kunnen maken van de onderwijsfaciliteiten. Nadat deze weigering is gehandhaafd heeft de aanvrager beroep ingesteld bij de rechtbank. Het college van bestuur meent hier niet in de hoedanigheid van bestuursorgaan te hebben gehandeld, zodat geen sprake kan zijn van een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. De rechtbank haalt een aantal bepalingen uit de WHW aan waaruit volgt dat het college van bestuur bestuursorgaan is waar het de uitvoering van de WHW betreft, dat de WHW bepalingen bevat omtrent verschuldigdheid en restitutie van collegegeld en dat in afwijking van art. 8:1 van de Awb het College van beroep voor het hoger onderwijs in eerste en enige aanleg bevoegd is kennis te nemen van beroepen inzake geschillen inzake ondermeer restitutie van collegegeld. Het College van beroep voor het hoger onderwijs zal zich derhalve dienen te buigen over de vraag of sprake is van een besluit. De rechtbank verklaart zich derhalve onbevoegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl