Rb. Rotterdam 20 juli 2001, ECLI:NL:RBROT:2001:AD3473

Leeftijdsgrens van 18 jaar in AKW niet in strijd met artt. 26 IVBPR noch met art. 9 IVESCR; het vervallen van art. 26 AKW levert geen strijd op met art. 65 Euro-Mediterrane Overeenkomst. Eiser is medegedeeld dat hij ingaande het eerste kwartaal van 2000 geen recht meer heeft op kinderbijslag t.b.v. zijn zoon X, omdat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Rechtbank: Bij wet van 21 december 1995, Stb. 1995, 691 is art. 26 AKW komen te vervallen. Hfdst IV van de AKW bleef echter gehandhaafd voor kinderen die op 30 september 1995 17 jaar of ouder zijn; en waarvoor over het 4e kwartaal 1995 recht op kinderbijslag bestaat, zolang zij hetzelfde onderwijs volgen als op 1 oktober 1995. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat niet valt in te zien dat deze wet leidt tot discriminatie op grond van leeftijd. Nog afgezien van het feit dat leeftijdsgrenzen in het algemeen veelvuldig als criteria in wet- en regelgeving worden gehanteerd en overigens niet behoren tot de in art. 26 IVBPR met name genoemde criteria, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen overtuigende gronden en argumenten aangevoerd op grond waarvan de rechtbank met recht tot het oordeel zou kunnen komen dat de gestelde leeftijdsgrens die haar grond vindt in een politieke en beleidsmatige afweging een redelijke en objectieve grondslag ontbeert en reeds in die zin in strijd met de voornoemde verdragen is te achten. De rechtbank acht het bestreden besluit uit dien hoofde dan ook niet in strijd met art. 26 IVBPR dan wel art. 9 IVESCR. Bij arrest van het HvJEG van 20 maart 2001, zaaknr. C-33/99 LJN AB0943, ECLI:NL:XX:2001:AB0943, heeft het Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat noch de Samenwerkingsovereenkomst, noch art. 48 EEG-Verdrag en evenmin de Verordeningen 1408/71 en 1612/68, aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat de kinderbijslag voor studerenden tussen 18 en 27 jaar geleidelijk afschaft, voor zover die afschaffing plaatsvindt zonder discriminatie op grond van nationaliteit. Art. 65 Euro-Mediterrane Overeenkomst dient te worden beschouwd als een nadere invulling van hetgeen is bepaald in art. 41 Samenwerkingsovereenkomst. Hieruit volgt dat in het licht van genoemde uitspraak van het HvJEG, de geleidelijke afschaffing van de kinderbijslag gerechtvaardigd is, mits deze zonder discriminatie op grond van nationaliteit plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten zowel de in casu toepassing zijnde wettelijke bepalingen van de AKW als het overgangsrecht geen discriminatie in die zin nu daarbij geenszins enig onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit. Nu de in het onderhavige geval toepasselijke bepalingen van de AKW en het overgangsrecht op geen enkele wijze onderscheid maken naar nationaliteit, is naar het oordeel van de rechtbank van verboden discriminatie in vorenbedoelde zin geen sprake. De wet van 21 december 1995 kan derhalve ook niet in strijd geacht worden met art. 65 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst. Het feit dat X geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van van de WSF doet daaraan niet af. Daarenboven kan ook eisers beroep op art. 26 IVBPR en art. 9 IVESCR niet slagen, daar evenmin tot de conclusie kan worden gekomen dat de in dit geval van toepassing zijnde wettelijke voorschriften leiden tot (ongeoorloofde) discriminatie op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Beroep ongegrond. De Sociale Verzekeringsbank, verweerder. mrs. J. Riphagen, M.J.L. Lamers-Wilbers, H.S.G. Verhoeff AKW 7 IVESCR 9 IVBPR 26 Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko van 26 septembeer 1978 41.1 Euro-Mediterrane Overeenkomst (Trechtbank 1996, 231) 65.1

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen