Rb. Rotterdam 27 juni 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA7335
Obstakelvrij houden van hellingvlak van baan mag zowel via Luchtvaartwet als via APV worden gerealiseerd. Gelet op de in art. 4.2.23 Bijlage 14 van het Verdrag neergelegde, voor Nederland bindende internationale norm, kon i.c. de kapvergunning niet anders dan worden verleend. Herroeping primair besluit en alsnog verlenen vergunning onder herplantplicht voor rooien van 630 bomen. Het bestreden besluit is gebaseerd op art. 4.2.23 Bijlage 14 bij het Verdrag ingevolge welk art. sprake dient te zijn van een obstakelvrij 2%-hellingvlak. - Het is niet zo dat i.c. geen ruimte is voor toepassing van art 4.4.2.1 APV, dat voorziet in het verbod zonder vergunning houtopstand te vellen of te doen vellen, ten faveure van de in afd. 4 hoofdstuk IV Luchtvaartwet neergelegde procedure. Sprake is van twee, in beginsel, naast elkaar staande stelsels met verschillende oogmerken. Niet kan worden aangenomen dat het obstakelvrij houden van het hellingvlak van een baan van een luchtvaartterrein exclusief langs de weg van de procedure van de Luchtvaartwet en dus niet langs de weg van de APV in de vorm van verlening van een kapvergunning zou mogen worden gerealiseerd. Procedure Luchtvaartwet is een algemene, aanvullende mogelijkheid voor het geval andere (bestuursrechtelijke) instrumenten ontoereikend blijken. - Bestreden besluit terecht gebaseerd op art. 4.2.23 Bijlage 14 bij het Verdrag. Sprake is van een bepaling van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie t.w. de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Dit besluit is voor het Koninkrijk der Nederlanden bindend geworden. Aangezien de bepaling eerst na het nemen van het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, kon gelet op art. 93 Grondwet ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake zijn van rechtstreekse werking van art. 4.2.23. Dit laat echter onverlet dat het Koninkrijk der Nederlanden daaraan volkenrechtelijk is gebonden. Voorts kon de bepaling doorwerken in de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden. De Nederlandse wetgevende en bestuursorganen zijn dan ook gehouden om binnen de grenzen van hun bevoegdheid art. 4.2.23 in acht te nemen. Dat houdt in dat, voor zover sprake is van een discretionaire bevoegdheid, die bevoegdheid in overeenstemming met die bepaling dient te worden uitgeoefend. Mitsdien heeft verweerder bij het bestreden besluit niet ten onrechte zijn - deels- discretionaire bevoegdheid tot verlening van een kapvergunning uitgeoefend om daarmee de uit het primaire besluit tot weigering van de kapvergunning voortvloeiende strijd met voornoemde internationale norm inzake het obstakelvrij houden van het 2%-hellingvlak van een baan weg te nemen. De uitoefening van verweerders bevoegdheid kon i.c. - nog daargelaten of en zo ja in hoeverre zich een van de in art. 4.4.4.1 APV opgenomen weigeringsgronden voordoet - immers tot geen andere uitkomst leiden van verlening van de kapvergunning. Het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillergersberg-Schiebroek, verweerder. Mr. drs. Th.G.M. Simons, mr. C.W.J. Schoor, mr. J.D.G.J. Dop Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (Stb. 1947, H 165) 37, 38, 54.1 Bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart 4.2.23 Luchtvaartwet 38.1, 38.2 Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Rotterdam 4.4.2.1, 4.4.4.1
De uitspraak op rechtspraak.nl