Rb. Rotterdam 28 augustus 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA7319

Art. 8:29 Awb is neerslag van evenwicht tussen de in art. 6 EVRM neergelegde beginselen van behoorlijke rechtspleging en het in art. 8 EVRM beschermde recht op privacy. Besluit inzake beëindiging recht op AKW m.i.v. het vierde kwartaal 1990 en terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald. De rechter-commissaris heeft bepaald dat kennisneming van het door verweerder overgelegde vertrouwensrapport niet wordt toegestaan. De Rechtbank zal in elk geval voor de beantwoording van de hierna volgende vraag m.b.t. art. 8:29 Awb, minimaal veronderstellenderwijs uitgaan van de toepasselijkheid van art. 6 EVRM. De Rechtbank acht de toepassing van art. 8:29 Awb niet in strijd met art. 6 EVRM. De in art. 6, eerste lid EVRM neergelegde beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn in het Nederlandse recht geïncorporeerd. Tot deze beginselen behoort evenzeer het door verweerder ingeroepen belang van privacybescherming en de daarmee samenhangende bronbescherming. Niet kan worden gezegd dat aan deze door art. 8 EVRM beschermde rechten op zich een geringer gewicht toekomt dan aan de rechten die art. 6 EVRM beoogt te beschermen. Waar zich een botsing tussen de bedoelde rechten voordoet is het de taak van de rechter deze rechten zoveel mogelijk in evenwicht te brengen (zie o.a. CRvB 15 februari 1995, RSV Actueel maart 1995, nr. 3). Een dergelijk evenwicht is ook gepoogd op te nemen in art. 8:29 Awb, nu de verwerende partij de mogelijkheid toekomt om een beroep te doen op het eerste lid van dit artikel en de wederpartij de mogelijkheid heeft om de in het vijfde lid bedoelde toestemming te weigeren. De rechtbank ziet in het voorgaande voldoende reden om art. 8:29 Awb niet wegens strijdigheid met art. 6 EVRM dan wel met het gelijkluidende art. 14 IVBPR, buiten toepassing te laten. De Sociale Verzekeringsbank, vestiging Rotterdam, verweerder. mrs. J. Riphagen, R. Kruisdijk, M.J.L. Lamers-Wilbers

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen