Rb. Rotterdam 5 september 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA7311
Uiteenlopende jurisprudentie CRvB en ABRS t.a.v. terugkomen op rechtens vaststaand besluit. Gelet op feit dat i.c. de ABRS hoger-beroepsinstantie is volgt de Rechtbank de lijn van de ABRS. De Rechtbank duidt het bestreden besluit als een weigering om terug te komen op een rechtens vaststaand besluit tot afwijzing van het verzoek om een hogere vergoeding voor eisers lidmaatschap van de deelgemeenteraad. Analoog aan de voor bijvoorbeeld het ambtenarenrecht gegeven jurisprudentie van de CRvB, welke inhoudt dat kennisgevingen van de (maandelijkse) salarisbetalingen besluiten in de zin van art. 1:3 Awb zijn, dienen de over de periode van april 1994 tot en met december 1995 aan eiser uitgekeerde raadsvergoedingen als eerste besluiten gezien te worden, waarvan eiser thans verzoekt om terug te komen. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB dient het weigeren van een verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerder besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan, dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van de belanghebbende die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit feiten en omstandigheden aan te dragen, die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen. De Rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Wel zijn de besluiten van destijds inzake de aan eiser toegekende raadsvergoedingen over de periode van april 1994 tot en met december 1995 evident onjuist. (...) Indien het bestreden besluit zou worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de CRvB zou geen andere conclusie mogelijk geweest zijn dan dat dit besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit zou alsdan dienen te worden vernietigd wegens strijd met art. 7:12, eerste lid Awb. Dit geschil dient, nu terzake de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de hoogste rechterlijke instantie is, echter te worden beoordeeld volgens de jurisprudentie van die Afdeling t.a.v. de weigering van een bestuursorgaan om terug te komen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit. In zoverre heeft ook verweerder, door de jurisprudentie van de CRvB tot uitgangspunt te nemen, een onjuiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd. De jurisprudentie van de Afdeling houdt - anders dan die van de CRvB en zoals de Afdeling onlangs nog heeft bevestigd in haar uitspraak van 24 januari 2000 (AB 2000,199) - in dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit slechts de weg kan openen tot beantwoording van de vraag of veranderde omstandigheden aan de dag zijn getreden die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot heroverweging van die betalingen. Zoals hiervoor is aangegeven is in dit geval van zodanige feiten of omstandigheden geen sprake. Bij de gegeven stand van de jurisprudentie is de conclusie onontkoombaar dat het beroep ongegrond is. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. mr. C.W.J. Schoor
De uitspraak op rechtspraak.nl