Rb. Rotterdam 13 september 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA7093
Door verweerder op grond van art. 3.11.4 Tw vastgestelde regels, die tussen eiseressen 1 en 2 zullen gelden bij redelijke verzoeken tot het medegebruik van antenne-opstelpunten, kunnen rechterlijke toets niet doorstaan. Begrip antenne-opstelpunt. Begripsomschrijving en wetsgeschiedenis art. 3:11 Tw wijzen niet in de richting van een beperkte uitleg van de reikwijdte van verzoeken tot medegebruik. Rb. verstaat onder begrip "antenne-opstelpunt" de desbetreffende mast alsmede het gedeelte van het dak of de wand waarop of waaraan de technische faciliteit waarop het verzoek betrekking heeft, is bevestigd.Een dergelijk opstelpunt wordt vervolgens beperkt geacht tot haar natuurlijke grenzen, d.w.z. de grenzen van het dak of de wand waarom het gaat. Informatieplicht met betrekking tot coördinaten bestaande antenne-opstelpunten.De verplichtingen die ex art. 3.11.4 Tw kunnen worden opgelegd, dienen te blijven binnen de grenzen van lid 1, dus slechts het "medegebruik van opstelpunten" te betreffen. Een verplichting om een lijst te verstrekken met (coördinaten van) meerdere opstelpunten, laat staan een overzicht van (de coördinaten van) alle opstelpunten valt redelijkerwijs niet binnen de wettelijke omschrijving te brengen. Het vaststellen van regels met betrekking tot het aantal af te handelen verzoeken om medegebruik van antenne-opstelpunten en het tempo waarin die afhandeling moet plaatsvinden valt binnen de in art. 3.11 Tw aan verweerder gegeven bevoegdheid. Evenwel sprake van motiveringsgebrek. Voorts heeft verweerder ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen antennes bevestigd aan hetzelfde opstelpunt en die betreffende antennes bevestigd aan verschillende opstelpunten. In het laatste geval is geen sprake van medegebruik. De regel dat verzoeken om medegebruik van een antenne-opstelpunt slechts mogen worden afgewezen wegens het reserveren van ruimte voor eigen gebruik, indien een gereserveerde ruimte binnen vier maanden daadwerkelijk wordt gebruikt valt buiten redelijkheidsgrenzen. Gelet op de te doorlopen procedure ingevolge de WRO zal de termijn van vier maanden niet worden gehaald. Tevens zal zich de situatie kunnen voordoen dat waar eiseressen sub 1 als gevolg van de toepassing van deze regel plaatsruimte moeten afstaan geen bruikbaar en binnen afzienbare tijd te realiseren alternatief voorhanden is. Art. 3.11 Tw biedt thans nog geen grondslag om ten aanzien van vergoedingen voor het medegebruik regels vast te stellen. Nu tussen eiseressen 1 en eiseres 2 ter zake van de vergoedingen nog geen sprake is van een geschil was verweerder immers nog niet bevoegd ten aanzien van de vergoeding voor het medegebruik van antenne-opstelpunten regels te stellen. Vernietigt het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl