Rb. Roermond 17 juli 2012, ECLI:NL:RBROE:2012:BX2780

Besluit waarbij een verzoek tot vernieuwing op grond van art. 74 van de Kadasterwet is afgewezen en waarbij ambtshalve is besloten de kadastrale grens tussen de percelen te herstellen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de Kadasterwet niet aangeeft dat derden een verzoek tot vernieuwing kunnen doen, en dat om die reden de afwijzing van het verzoek om vernieuwing als een mededeling moet worden aangemerkt en niet als een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. De Rb. begrijpt dit standpunt aldus dat verweerder, gelet op de vaste rechtspraak van de ABRS (zie bijv. de uitspraak van 20 januari 1998, LJN: ZF3146), bedoeld heeft te zeggen dat de aanvraag van eiser om vernieuwing op grond van art. 74 van de Kadasterwet aangemerkt moet worden als een verzoek, niet afkomstig van een belanghebbende, en dat om die reden de afwijzing van het verzoek geen besluit in de zin van de Awb is. Op grond van het vorenstaande, en gezien het feit dat verweerder zich daarnaast in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen belanghebbende is inzake het primaire besluit voor zover dat ziet op het ambtshalve herstel van een kadastrale grens, is de kern van het geschil de vraag of verweerder eiser terecht niet als belanghebbende als bedoeld in art. 1:2 Awb heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt de Rb. als volgt. In de parlementaire geschiedenis van de Kadasterwet is aandacht geschonken aan het in die wet opgenomen begrip ‘belanghebbenden’ en is onder meer het volgende vermeld: “Bij personen die bij de bijhouding belanghebbenden zijn (…) valt te denken niet alleen aan de nieuwe eigenaren en/of beperkt gerechtigden maar ook aan de vorige eigenaren en/of beperkt gerechtigden. Anders gezegd, onder belanghebbenden worden in ieder geval begrepen al diegenen die blijkens het ingeschreven stuk of door de inschrijving daarvan enig recht (eigendom of beperkt recht) hebben verkregen, en degenen wiens recht blijkens dat stuk of door de inschrijving daarvan is vervallen, overgedragen, gewijzigd of waarvan afstand is gedaan.” (TK1981-1982, 17 496, nr. 5, p. 100). “Van een wettelijke omschrijving van de term “belanghebbende” is afgezien ten einde niet door een te strakke regeling personen uit te sluiten die bij toepassing van de desbetreffende bepaling een duidelijk belang hebben, maar die niet in de wettelijke omschrijving voorkomen omdat aan het desbetreffende geval niet is gedacht. Uit de wettekst zelf (artikelen 58, lid 1 en 59 lid 1) is duidelijk dat onder belanghebbenden in elk geval vallen degenen die blijkens het ingeschreven stuk of door de inschrijving daarvan enig recht (eigendom of beperkt recht) hebben verkregen en degenen wier recht blijkens het stuk of door inschrijving ervan is vervallen, overgedragen of gewijzigd of waarvan afstand is gedaan. (…) De materie leent zich, gelet op het uiteenlopende karakter van de stukken waarom het kan gaan, niet voor een meer specifieke regeling. Dat is ook nog te adstrueren door het feit dat bij een belanghebbende gedacht moet worden niet alleen om hen die ingevolge de hier bedoelde bepalingen een mededeling of kennisgeving dienen te ontvangen, doch ook aan hen die (…) tegen een eventuele beslissing bezwaar kunnen maken, of in beroep kunnen komen. In dit laatste geval bepaalt uiteindelijk de rechter of de desbetreffende persoon voldoende belang heeft om als “belanghebbende” in zijn beroep te kunnen worden ontvangen. Hierin ligt besloten dat het begrip, zoals ook uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt, ruim moet worden genomen.” (TK1986–1987, 17 496, nr. 23, p. 45) Niet in geschil is dat eiser in het verleden het recht van eigendom heeft gehad over het betreffende perceel en dat dit recht is overgedragen na executoriale verkoop van voormeld perceel. Gelet op de weergegeven parlementaire geschiedenis, is eiser als voormalige rechthebbende dan ook niet aan te merken als een willekeurige derde die zich tot verweerder heeft gewend. Vast staat voorts dat eiser verzocht heeft om vernieuwing van de kadastrale grens van de betreffende percelen. Nu eiser reconstructie van die kadastrale grenzen wenst teneinde daarmee een procedure tot herziening van het voor hem nadelige civiele vonnis te starten, is de Rb. van oordeel dat eiser een persoonlijk, van anderen te onderscheiden actueel belang heeft bij zijn verzoek aan verweerder. Eiser moet dan ook als belanghebbende als bedoeld in art. 1:2, lid 1 Awb worden beschouwd. Uit het hiervoor overwogene volgt dat, nu eiser belanghebbende in de zin van de Awb is, het verzoek om vernieuwing niet kan worden aangemerkt als een verzoek, niet afkomstig van een belanghebbende. Het primaire besluit, voor zover daarin het verzoek om vernieuwing op grond van art. 74 Kadasterwet is afgewezen, is dan ook een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Daarnaast volgt hieruit dat eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, ter zake van het bezwaar tegen het primaire besluit voor zover dat ziet op het ambtshalve herstel van de kadastrale grens, eveneens belanghebbende in de zin van de Awb is. Het vorenstaande betekent dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Rb. zal het beroep tegen het bestreden besluit dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. (…)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen