Rb. Roermond 27 april 2012, ECLI:NL:RBROE:2012:BW4417
Besluit waarbij verweerder de aan eiser toegekende inkomensvoorziening op grond van de WIJ heeft ingetrokken en een netto bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkering van eiser heeft teruggevorderd (het terugvorderingsbesluit), alsmede een besluit waarbij verweerder het bedrag van de terugvordering heeft verhoogd (het verhogingsbesluit). Voor zover het beroep de brutering van het terug te vorderen bedrag betreft, deelt de Rb. het standpunt van verweerder, dat het primaire besluit slechts een aankondiging van een eventuele brutering bevat. Deze vermelding is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en vormt derhalve geen onderdeel van het besluit. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre dan ook terecht niet-ontvankelijk geacht. Evenwel is het verhogingsbesluit een besluit in de zin van art. 4:125 Awb, nu dit is te beschouwen als een bijkomende beschikking van een besluit waarbij een verplichting tot betaling van een geldsom is opgelegd (het terugvorderingsbesluit). Het verhogingsbesluit impliceert immers dat het verschil tussen het bruto bedrag en het netto bedrag van de volgens verweerder ten onrechte betaalde uitkering voor een deel ten laste van eiser wordt gebracht en voor een deel wordt kwijtgescholden. Uit zijn bezwaarschrift blijkt echter dat eiser het met de brutering van de uitkering in zoverre niet eens is dat deze zijns inziens geen betrekking mag hebben op de maand september 2011. In het verhogingsbesluit is brutering voor deze maand evenwel achterwege gelaten, waardoor verweerder derhalve geheel aan het bezwaar tegen de brutering tegemoet is gekomen. Daarom moet worden geconcludeerd dat eiser het bijkomende besluit niet betwist, zodat het beroep van eiser daar geen betrekking op heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl