Rb. Roermond 12 december 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BU8220
Tussen partijen staat vast dat eiser ongeschikt was wegens ziekte om de eigen functie van P.I.W-er te vervullen. Sinds 2008 was eiser bij het OM gedetacheerd als servicemedewerker. Verweerder heeft gesteld dat hij zich voldoende heeft ingespannen om eiser te herplaatsen zodat ontslag gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR, nu daarin is gesteld dat ontslag op die grond slechts kan plaatsvinden indien het bevoegd gezag (ook) van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is. Het beroep is gegrond en het besluit op bezwaar zal vernietigd worden. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Nu het aanbod bestond om de detachering voort te zetten, kan niet geoordeeld worden dat ten tijde van het primaire besluit duurzame reïntegratie binnen een redelijke termijn was uitgesloten. Eiser verrichtte de werkzaamheden, die pasten bij zijn arbeidsmogelijkheden, naar tevredenheid van het OM, zodat in zoverre sprake was van een succesvolle reïntegratie. Voor zover verweerder op dit punt betoogt dat met een voortzetting van de detachering de reïntegratie niet duurzaam was, is de rechtbank van oordeel dat de detachering een belangrijke stap inhield op weg daarheen. Het ontslagbesluit kan geen stand houden.
De uitspraak op rechtspraak.nl