Rb. Roermond 3 augustus 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BR5345

MTV-controle niet in strijd met Schengengrenscode. Factoren die van belang zijn voor de toetsing van het rechtmatig handelen van de KMar. Bevestiging van de beschikking van de RC met verbetering van gronden. Beslissing op het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beschikking van de RC, waarbij de aanhouding en inverzekeringstelling onrechtmatig zijn omdat het dossier onvoldoende onderbouwing bevat voor beantwoording van de vraag of het ging om een controle uit hoofde van artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Ook als voldaan zou zijn aan alle vereisten van artikel 4.17a Vb 2000, dan nog zou er sprake kunnen zijn van een controle die hetzelfde effect heeft als een grenscontrole en mogelijk strijdigheid met art. 21 van de Schengengrenscode. Op 9 augustus 2011 heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat rechtsoverweging 75 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2010 (Melki en Abdeli) in samenhang met de rechtsoverwegingen 73 en 74 moet worden gelezen en dat daaruit kan worden afgeleid dat indien een nationale regeling identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt en die controles niet afhankelijk zijn van het gedrag van betrokkene of van specifieke omstandigheden, de controlebevoegdheid zodanig dient te worden gereguleerd, dat deze niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole. In de omstandigheid dat in artikel 4.17a van het Vb 2000 geen rekening is gehouden met het gedrag en specifieke omstandigheden, is geen grond gelegen voor het oordeel dat artikel 4.17a van het Vb 2000 niet aan de eisen van het arrest zou voldoen. De rechtbank acht in de huidige stand van zaken de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling maatgevend en is van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat met artikel 4.17a Vb voldoende waarborgen in de wet zijn opgenomen om - indien daaraan voldaan – een MTV-controle niet in strijd te laten zijn met de Schengengrenscode. Voor de beoordeling of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vreemdelingenwet 2000 is het van belang dat in het proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de aanhouding, maar dat tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. De rechtmatigheid van het handelen van de verbalisanten moet inzichtelijk worden gemaakt. Het is immers aan de rechtbank om te toetsen of de staandehouding werd uitgevoerd conform het gestelde in artikel 4.17a Vb 2000. Van belang is dat het proces-verbaal tenminste onderbouwd inzicht geeft in de factoren, genoemd in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 30 mei 2011, waarbij artikel 4.17a Vb 2000 is ingevoerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen