Rb. Roermond 24 februari 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BP6175
Eiseres heeft een waterzuiveringsinstallatie in eigendom. Deze waterzuiveringsinstallatie zuivert het afvalwater van een naastgelegen aardappelverwerkingsfabriek. Aan eiseres is over 2007 een voorlopige aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd. Niet in geschil is dat in 2007 sprake was van ongebruikelijk hoge lozingen op de gemeentelijke riolering door eiseres met als gevolgd dat de in geding zijnde voorlopige aanslag ongebruikelijk hoog was. Eiseres heeft gesteld dat de hoge lozingen zijn veroorzaakt een breuk van een transportleiding voor aardappelschillen van de aardappelverwerkingsfabriek en een breuk in de bodem van een beluchtingstank die deel uitmaakt van de zuiveringsinstallatie van eiseres. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een incidentele niet voor haar rekening komende oorzaak betreft (“een calamiteit”), die maakt dat de aan haar opgelegde voorlopige aanslag leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing. De rechtbank is van oordeel dat niet relevant is hoe en op welke wijze de verontreiniging is ontstaan, van belang is slechts dát een lozing heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hiertoe dat de herkomst van de afgevoerde stoffen in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geen rol speelt. Van belang is slechts dat stoffen worden afgevoerd en dat deze een meetbare vervuilingswaarde vertegenwoordigen. Dit maakt dat de opgetreden uitzonderlijk hoge lozingen, die door eiseres aan een calamiteit worden toegeschreven, voor de heffing niet buiten beschouwing moeten blijven, omdat deze, zoals eiseres heeft gesteld en los van de vraag in hoeverre dat standpunt wel of niet juist is, haar niet zouden zijn te verwijten. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl