Rb. Roermond 19 november 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO4805

Samenvatting AWB 10 / 769 De aanvraag van eiseres voor een Wmo-pas is afgewezen met toepassing van artikel 29 van de Verordening. Dat artikel bepaalt dat bij een inkomen boven de genoemde inkomensgrenzen, het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk wordt geacht, waardoor in een dergelijke situatie meerkosten voor vervoer ontbreken en kan worden aangenomen dat een vervoerskostenvoorziening niet noodzakelijk is. Niet duidelijk is of is bedoeld de inkomensgrens enkel te hanteren ten aanzien van personen die gebruik kunnen maken van een auto of dat iedereen met een inkomen boven de gestelde grens geacht wordt zelf te kunnen voorzien in de kosten van het vervoer in zijn directe leefomgeving. Door het hanteren van het begrip vervoerskostenvoorziening, terwijl in de overige bepalingen van de Verordening melding wordt gemaakt van vervoersvoorzieningen is voorts onduidelijk of enkel wordt gedoeld op een voorziening in de kosten van het vervoer of tevens op deelname aan het collectieve vervoerssysteem tegen een gereduceerd tarief. Daar komt nog bij dat collectief vervoer naar zijn aard niet gelijkgesteld kan worden aan een met een auto vergelijkbare voorziening (CRvB van 12 oktober 2010, LJN BO1038). Artikel 29 van de Verordening is dan ook onvoldoende duidelijk geformuleerd en ook de toelichting bij die bepaling brengt geen helderheid, zodat moet worden geconcludeerd dat deze bepaling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en derhalve onverbindend is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen