Rb. Roermond 14 oktober 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO0863
Naar aanleiding van hetgeen verweerder in zijn reactie op de door de rechtbank gewezen tussenuitspraak naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen hierover is vermeld in de memorie van toelichting (kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 4, par.5), uit artikel 8:80a van de Awb volgt dat partijen de tussenuitspraak voor zover deze ‘eindbeslissingen’ bevat als een vaststaand gegeven moeten beschouwen. De verbindendheid van een tussenuitspraak is door de wetgever benadrukt doordat artikel 8:88 van de Awb daarop overeenkomstig van toepassing is verklaard. De rechtbank begrijpt daaruit dat in geval van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die redelijkerwijs niet vóór de tussenuitspraak hadden kunnen worden aangevoerd, in de einduitspraak tot een ander oordeel kan worden gekomen. Daarnaast is niet uit te sluiten dat het onder uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn om aan de eindbeslissing in een tussenvonnis vast te houden. In hetgeen verweerder heeft betoogd zijn noch nieuwe feiten of omstandigheden, noch uitzonderlijke omstandigheden als zojuist bedoeld gelegen. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding terug te komen van hetgeen in de tussenuitspraak onder 2.14. bij wijze van eindbeslissing is overwogen.
De uitspraak op rechtspraak.nl