Rb. Roermond 7 mei 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BM4085
Beroep tegen vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid van de WRO en de verleende bouwvergunning ten behoeve van de aanleg van een kademuur aan de Maas te Venlo, lager dan in het bestemmingsplan is voorgeschreven. Eiser wenst dat de kademuur nog lager wordt en dat dus een ruimere vrijstelling wordt verleend dan is gevraagd.. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling vormt de toelichting bij het bestemmingsplan geen bindend onderdeel van het bestemmingsplan, zodat het als zodanig geen concreet toetsingskader vormt voor een aanvraag om een bouwvergunning. Gezien de geringe afwijking van het bestemmingsplan, waarbij vrijstelling is verleend voor een lagere kademuur dan is voorgeschreven, en de door verweerder gegeven toelichting, waarbij de relatie met het bestemmingsplan is aangegeven en is gemotiveerd waarom van de bevoegdheid van artikel 19, tweede lid van de WRO voor dit bouwplan gebruik is gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft zijn discretionaire bevoegdheid aangewend om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan, omdat de te realiseren kademuur volgens de geldende voorschriften te laag zal zijn. De door eiser aangevoerde gronden zijn echter voornamelijk gebaseerd op de stelling dat de geplande hoogte van de kademuur te hoog is en daardoor het woongenot belemmert. Voor zover eiser daarmee heeft willen betogen dat verweerder gebruik had moeten maken van de hem toekomende bevoegdheid om een ruimere vrijstelling te verlenen, overweegt de rechtbank dat, gelet op het feit dat het een discretionaire bevoegdheid is, het aan verweerder is om te bepalen in welke gevallen hij die aanwendt. Verweerder kan dan ook niet worden gedwongen vrijstelling te verlenen voor meer dan hem is verzocht. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren dat verweerder beslist op de aanvraag om een bouwvergunning voor een bepaald bouwplan en de daarvoor vereiste vrijstelling. Verweerder heeft in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging kunnen komen. Het welstandsadvies vertoont niet zodanige gebreken dat verweerder zich daar niet op mocht baseren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het advies van de Commissie mocht overnemen en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het beroep is ongegrond en de bouwvergunning is terecht verleend.
De uitspraak op rechtspraak.nl