Rb. Roermond 7 april 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BM0866

De erven van een aan mesothelioom overleden man spreken asbestproducent aan voor schadevergoeding. De asbestproducent doet een beroep op verjaring en stelt in dat verband onder andere dat sinds de invoering van artikel 3:310, lid 5 van het BW per 1 februari 2004, geen ruimte meer is voor een beroep op en afweging van de zeven door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten (Van Hese/De Schelde). De rechtbank verwerpt dat standpunt onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis. De rechtbank gaat vervolgens over tot beoordeling van de vraag of het beroep van de asbestproducent op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Eén van de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten is of na het aan het licht komen van de schade binnen een redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld. De rechtbank is van oordeel, dat dit gezichtspunt vanwege zijn achtergrond zelfstandig van doorslaggevend belang kan zijn. Zodra van een benadeelde mag worden verwacht dat hij zijn vordering instelt, moet hij dat ook doen. Indien hij dit niet doet, bezwaart hij zonder rechtvaardiging de positie van degene die hij voor zijn schade aansprakelijk acht. Een geslaagd beroep op artikel 6:2, lid 2 van het BW kan in die situatie naar het oordeel van de rechtbank hoe dan ook niet meer aan de orde zijn. De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat die situatie zich hier voordoet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen