Rb. Roermond 21 januari 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:3964

Betreft beroep tegen vaststelling en invordering eigen bijdrage voor Zorg met Verblijf in het kader van de AWBZ. Het CAK heeft in beroep alsnog de invordering tot de helft gematigd. Nu sprake is van een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage was verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de AWBZ juncto artikel 2 van het Bijdragebesluit zorg gehouden die bijdrage vast te stellen. In dezen is sprake van een imperatief gesteld algemeen verbindend voorschrift dat verweerder geen ruimte biedt om de eigen bijdrage niet op te leggen, te matigen of kwijt te schelden. Dat neemt niet weg dat bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Uit het ongeschreven recht vloeit voort dat een eigen bijdrage niet met terugwerkende kracht kan worden opgelegd indien daardoor de rechtszekerheid van betrokkene wordt geschonden. Hoewel eiser er niet op kon vertrouwen dat de eigen bijdrage ook over 2008 (en 2009) € 61,68 zou blijven, is de rechtbank van oordeel dat een vaststelling met een terugwerkende kracht van 19 maanden die tot een verviervoudiging leidt van de eerder vastgestelde eigen bijdrage, in strijd met de rechtszekerheid is te achten. Verweerder heeft de strijdigheid met de rechtszekerheid erkend door bij zijn nader besluit de helft van het navorderingsbedrag kwijt te schelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid kunnen komen tot zijn besluit om het in te vorderen bedrag voor de helft kwijt te schelden en heeft verweerder het nadeel van eiser zodanig gemitigeerd dat de strijd met de rechtszekerheid daardoor is weggenomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen