Rb. Roermond 1 juli 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BJ1227
Incidentele vordering opheffing conservatoir eigenbeslag. Werknemer is bij ontbindingsvonnis d.d. 18 maart 2008 een vergoeding toegekend van EUR 360.000,00. Op 17 maart 2008 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen wegens een dringende reden. De werknemer heeft vervolgens op vermogensbestanddelen van de werkgever beslag laten leggen. De werkgever heeft daarna de voorzieningenrechter verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir eigenbeslag voor een bedrag van EUR 500.000,00 op grond van de gestelde vordering op de werknemer. Dit verlof is verleend. De werknemer heeft na inleidende dagvaarding van de werkgver tot betaling van schadevergoeding bij incidentle vordering opheffing van het eigenbeslag gevorderd. De kantonrechter heeft overwogen dat het spoedeisend belang aanwezig, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Na een belangenafweging heeft de kantonrechter geoordeeld dat het eigenbeslag voor een bedrag van EUR 100.000,00 wordt opgeheven. Daarbij heeft de kantonrechter onder meer van belang geacht dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 20 juni 2008 voorlopig heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd is gegeven, het slecht werknemersgedrag verre van bewezen is, een onherroepelijke rechterlijke uitspraak met executoriale kracht niet te snel moet worden gebroken door een conservatoir beslag , de noodtoestand van de werknemer en de procedure lang kan gaan duren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 51 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 208 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 337 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 705 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 724 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering