Rb. Roermond 23 maart 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BH8256

De rechtbank oordeelt over een beslissing mbt herziening en terugvordering van verleende premievrijstelling en korting over het jaar 2000 naar aanleiding van een fraude-onderzoek. De verleende vrijstelling en korting is na ommekomst van de verjaringstermijn van artikel 13 Coördinatiewet vastgesteld, zulks met toepassing van buitenwettelijk beleid. In die omstandigheden ziet de rechtbank ruimte om dan ook de herziening en terugvordering die hebben plaatsgevonden na afloop van de verjaringstermijn om te concluderen dat verweerder zich in het kader van het buitenwettelijk beleid ook mag beroepen op het algemene rechtsbeginsel (zoals door de Centrale Raad in diverse ambtenarenzaken, waaronder LJN: AV2037, heeft geformuleerd) dat hetgeen onverschuldigd is betaald, mag worden teruggevorderd, tenzij (andere) algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat bij de aanvraag die tot de te hoge premiekorting heeft geleid, bewust onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt en dat eiseres de onregelmatigheden in de aanvraag en het toekenningsbesluit had kunnen onderkennen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerer voldoende voortvarend en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld bij de besluitvorming tot herziening en terugvordering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen