Rb. Roermond 18 november 2008, ECLI:NL:RBROE:2008:BG4955

Per 1 oktober 2006 is de omschrijving van het begrip verwijtbaar werkloos in de zogeheten a-grond van artikel 24, tweede lid, van de WW gewijzigd. Sindsdien geldt dat de werknemer verwijtbaar werkloos op de a-grond is geworden, indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van art. 678, boek 7, van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt (een verwijtbare arbeidsrechtelijke dringende reden). Het eerste lid van artikel 7:687 van het BW bepaalt dat als dringende redenen voor onverwijlde opzegging worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In het tweede lid van die wetsbepaling zijn voorbeelden van dringende redenen genoemd. Uit de MvT (TK 30370, nr. 3, p. 26 en 27 blijkt dat de achtergrond van de beperking van de verwijtbaarheidstoets van de WW is gelegen in het oogmerk om het aantal zogeheten pro forma verweren in ontslagvergunningprocedures bij het CWI en ontbindingsprocedures bij de kantonrechter drastisch terug te brengen. Bij het daartoe ingevoerde criterium gaat het niet om de vorm van het ontslag, maar om de redenen die daaraan ten grondslag liggen, zij het dat het achterwege laten van een ontslag op staande voet, of een schorsing met onmiddellijke ingang, op zichzelf een indicatie is dat geen sprake is van een dringende reden. Voorts heeft de minister verklaard (Handelingen TK 30370, p. 2925) dat uitsluitend in situaties waarin voldoende sterke aanwijzingen zijn voor een dringende reden voor ontslag op staande voet, wordt overgegaan tot nader onderzoek naar verwijtbare werkloosheid. In de toelichting op een wijziging van het betrokken voorschrift is op de vraag of voor het aannemen van een dringende reden de gewraakte gedraging zowel in objectieve zin als in subjectieve zin ten aanzien van de werkgever een dringende reden dient te vormen, geantwoord dat de gedraging voor de werkgever een dringende reden dient op te leveren (Eerste Kamer, 29738 en 30370 C, p. 20). Voor de overheidswerkgever ligt het voorgaande niet wezenlijk anders. Hoewel het ambtenarenrecht geen ontslag wegens dringende redenen kent, beoogt de huidige formulering van de a-grond van artikel 24 WW immers om op overheidswerknemers hetzelfde, aan het civiele recht ontleende, criterium toe te passen. In lijn met hetgeen is opgemerkt over de indicatieve betekenis van het achterwege laten van een ontslag op staande voet, is ten aanzien van overheidswerknemers in de MvT (p.27) uiteengezet dat verwijtbare werkloosheid het duidelijkst aanwezig is als er sprake is van strafontslag, maar dat die zich ook bij ontslag op andere gronden kan voordoen, waarbij van betekenis is of de gedraging zodanig ernstig was dat de werknemer voorafgaand aan het ontslag is geschorst. Gelet op de wetsgeschiedenis van het toepasselijke verwijtbaarheidscriterium als weergegeven onder 2.9, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat een ontslag dat berust op ongeschiktheid van een overheidswerknemer voor diens functie, terwijl de werkgever bewust heeft afgezien van ontslag wegens plichtsverzuim, in zijn algemeenheid geen aanleiding vormt om te onderzoeken of het ontslag niettemin berust op een verwijtbare arbeidsrechtelijke dringende reden. Daar komt bij dat een overheidswerkgever bij wie enige twijfel bestaat over de vraag of plichtsverzuim in rechte houdbaar is, door gebruik te maken van de, blijkens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep in ambtenarenzaken geoorloofde, constructie om aan een strafontslag subsidiair een ongeschiktheidsontslag te verbinden, zonder veel risico duidelijkheid kan krijgen over die vraag. Als de overheidswerkgever in zo’n geval die mogelijkheid niet benut, maar vervolgens vanwege zijn financiële belang in het kader van de WW toch bepleit dat er sprake is van een verwijtbare arbeidsrechtelijke dringende reden, zal die werkgever daarin niet licht kunnen worden gevolgd en mag van hem worden verlangd dat hij aantoont dat er bijzondere omstandigheden zijn waaruit dit onomstotelijk blijkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen