Rb. Roermond 20 februari 2008, ECLI:NL:RBROE:2008:BC5150

Ingevolge het bepaalde in artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte ter zake van hetzelfde feit niet weder in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Met nieuwe bezwaren herleeft alsdan het vervolgingsrecht. Van nieuwe bezwaren is overeenkomstig het bepaalde in het tweede artikellid sprake indien deze later bekend zijn geworden of nog niet zijn onderzocht. Zo tot nieuwe bezwaren zou moeten worden geconcludeerd, kan de dagvaarding blijkens het derde artikellid niet worden uitgebracht, dan na een ter zake van die nieuwe bezwaren op vordering van het Openbaar Ministerie ingesteld gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelt dat het bepaalde van het aangehaalde artikel van toepassing is op de thans tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3. De beslissing van het Hof met betrekking tot feit 1 maakt dat niet anders. De rechtbank stelt vast dat het vereiste gerechtelijk vooronderzoek als hiervoor bedoeld niet heeft plaatsgehad. Aan de waarborg die de wetgever hiermee heeft geschapen, te weten het ervoor waken dat zijdens het Openbaar Ministerie wordt overgegaan tot lichtvaardig opnieuw aanbrengen van de zaak, is daarmee voorbijgegaan. De rechtbank is van oordeel dat dit onherstelbaar vormverzuim op zich mede gelet op alle belangen nog niet van dien aard is dat het Openbaar Ministerie met betrekking tot die feiten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor die beoordeling is van belang of de nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden op basis van nieuwe bezwaren voor de feiten 1, 2 en 3. Naar het oordeel van de rechtbank is in de zaak van [slachtoffer] (feit 1) niet gebleken van nieuwe bezwaren tegen verdachte als bedoeld in artikel 255, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Na de sepotbeslissing van 19 april 2004, heeft weliswaar een aangifte door [slachtoffer 3] plaatsgevonden (13 december 2004), is deze [slachtoffer 3] nog aanvullend gehoord (14 januari 2006) en heeft de politie nog enige onderzoeksresultaten op schrift gesteld, doch dit alles ziet niet op de aangifte van [slachtoffer]. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van nieuwe bezwaren tegen verdachte die strafrechtelijke vervolging rechtvaardigen ter zake van de aangifte van [slachtoffer]. De aangifte van [slachtoffer 2] waarop de officier van justitie zijn ambtsbericht ten behoeve van de beklagprocedure mede heeft gebaseerd, zo constateert de rechtbank overigens, maakte reeds deel uit van het dossier dat tot de sepotbeslissing in april 2004 heeft geleid, zodat hier verder geen acht op wordt geslagen. De rechtbank zal derhalve het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van feit 1.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen