Rb. Roermond 11 juli 2006, ECLI:NL:RBROE:2006:AY3794

De rechtbank heeft bepaald dat de dagvaarding ten aanzien van het tweede feit nietig is nu door de officier van justitie is ten laste gelegd dat verdachte een gewoonte (art 417 Sr.) heeft gemaakt van het voordeel trekken uit de opbrengst van door enig misdrijf verkregen goed (art. 416 lid). De bewoordingen van beide artikelen verzet zich tegen een dergelijke ten laste legging. Voorts acht de rechtbank betreffende ten laste legging nietig nu de officier van justitie door ten laste te leggen zoals hij heeft gedaan, de opbrengst van het uit misdrijf (oplichting) verkregen geld vereenzelvigd met (een gedeelte van) datzelfde geld. Als het door misdrijf verkregen geld wordt weggeven, betreft het nog steeds hetzelfde geld. Degene die het geld in geschenk aanneemt (en er al dan niet luxe goederen van koopt) pleegt het feit van art. 416, eerste lid Sr.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen