Rb. Roermond 3 mei 2006, ECLI:NL:RBROE:2006:AX3741
Erfrecht. Inbrengverplichting. Vóór 1 januari 2003: verplicht, tenzij de erflater het tegendeel heeft bepaald. Na 1 januari 2003: verplicht voor zover de erflater dit heeft bepaald. Artikel 139 van de Overgangswet NBW bepaalt echter: In geval voor het in werking treden van de wet (de bepalingen van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, Erfrecht) een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn bij een gift of in een uiterste wil niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng van de gedane gift, blijft deze, behoudens indien de erflater nadien anders mocht hebben beslist, ook na dat tijdstip daartoe verplicht. De achterliggende gedachte bij dit artikel blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis van artikel 139 van de Ow: Indien onder het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht geen ontheffing van de verplichting tot inbreng is verleend, is het kennelijk de wil van de erflater geweest, dat inbreng wel plaats vindt, mede gelet op het belang van de broers en zusters van de begiftigde, die er op mochten vertrouwen dat door de gift de gelijkheid van de erfgenamen niet zou worden aangetast. Met andere woorden: het zwijgen van de erflater is hier nu juist wel als een keuze voor inbreng te beschouwen. Wil er van een gift sprake zijn dan is daarvoor onder meer vereist dat er een rechtshandeling of een feitelijke handeling is, dat de gever met een bevoordelingsbedoeling (overeenkomend met de vrijgevigheidsgedachte onder het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht) moet hebben gehandeld, terwijl de begiftigde zich daarvan bewust was op het moment dat de gever met een bevoordelingsbedoeling handelde. Wie door een feitelijk niet-handelen een ander bevoordeelt, verstrekt geen gift. Louter passiviteit maakt een bevoordelingsbedoeling niet aannemelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl