Rb. Roermond 22 oktober 2004, ECLI:NL:RBROE:2004:AR5552
Wet wapens en munitie; het voorhanden hebben van (vuur)wapens: deels vrijspraak, deels OVAR. Verdachte had 5 vuurwapens, 1 lichtkogelpistool, 1 stroomstootwapen, 2 patronen, 2 werpmessen en een te lang vouwmes in huis. De politierechter, die als rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek gesloten had, acht zich bevoegd over de zaak te oordelen: het sluiten van het GVO was een louter formele handeling zonder inhoudelijke beoordeling, dus had de politierechter niet als rechter-commisaris "enig onderzoek" in de voorfase verricht (zie ook HR 27 oktober 2004, LJN AN9941). Op grond van een deskundigenrapport wordt niet bewezen geacht dat een van de vuurwapens, dat ingekort was, niét was ingekort om het dragen te verbergen of om de vuurkracht te verhogen. De 2 als werpmessen aangeduide messen worden geacht niet primair bestemd te zijn om mee te werpen. Vrijspraak op deze onderdelen. Op grond van een rapport en de verklaringen ter terechtzitting van een ingeschakelde getuige-deskundige worden de resterende 4 vuurwapens en het lichtkogelpistool geacht te vallen onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 Regeling wapens en munitie. Volgt ontslag van alle rechtsvervolging voor deze onderdelen, want dan zijn deze feiten niet strafbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl