Rb. Roermond 1 juli 2002, ECLI:NL:RBROE:2002:AE6073
1. Toestemming inzake medische gegevens (art. 88a WAO) mag niet worden verondersteld, ook niet als werknemer is overleden. 2. Onder voorwaarden wordt de opnieuw toegekende WAO-uitkering aan werkgever toegerekend (art. 43a.1.a WAO jo art. 4.5.a Besluit premiedifferentiatie). Verweerder heeft de voor eiser geldende gedifferentieerde premie over het jaar 1996 vastgesteld. Hierbij heeft verweerder rekening gehouden met de WAO-uitkering die aan de in 1999 overleden heer X is verstrekt. Namens eiseres is in beroep naar voren gebracht dat verweerder de medische stukken betreffende wijlen X ten onrechte uitsluitend aan de arts-gemachtigde en niet aan eiseres zelf heeft doen toekomen. Volgens eiseres had het belang van wijlen X moeten worden afgewogen tegen het belang van eiseres en weegt het belang van eiseres zwaarder. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen en overweegt dat ingevolge art. 88a.1 WAO de werkgever slechts recht heeft op inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, indien de werknemer hiervoor toestemming heeft gegeven. De rechtbank interpreteert deze bepaling aldus dat deze toestemming door de werknemer bij leven gegeven moet worden. De rechtbank ziet het recht op geheimhouding van medische gegevens ten opzichte van de werkgever als een hoogstpersoonlijk recht van de betrokken werknemer. De zeggenschap van de werknemer met betrekking tot zijn medische gegevens na zijn overlijden gaat derhalve niet over op diens nabestaanden. Ingevolge art. 88a.2 WAO wordt de in het eerste lid van dat artikel bedoelde toestemming schriftelijk gegeven. Dat betekent dat toestemming van de werknemer niet mag worden verondersteld, ook niet indien de werknemer inmiddels is overleden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is verweerder er in het onderhavige geval terecht van uitgegaan dat X geen toestemming heeft verleend voor inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk met zijn medische gegevens. Verweerder heeft er voorts op goede gronden van afgezien zich tot de nabestaanden van X te wenden met een verzoek om toestemming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bezwaarfase op goede gronden de medische stukken betreffende wijlen X uitsluitend aan de arts-gemachtigde ter beschikking heeft gesteld. Voor een afweging van belangen zoals door eiseres is bepleit, biedt de wet geen ruimte. Eiseres is voorts van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van X die in 1994 is ontstaan niet als voortzetting van de ongeschiktheid van voor indiensttreding bij eiseres kan worden beschouwd. De rechtbank overweegt dat o.g.v. art. 4.5.a Besluit premiedifferentiatie WAO (verder: Besluit) een aan een (ex-)werknemer toegekende WAO-uitkering bij een werkgever in aanmerking wordt genomen indien de werknemer op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid als bedoeld in art. 19 ZW tot die werkgever in dienstbetrekking staat en de werknemer ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 52 weken als bedoeld in art. 19 van de WAO heeft doorgemaakt. Art. 4.5.b Besluit ziet op de situatie dat een werknemer nadat een hem eerder toegekende WAO-uitkering met toepassing van art. 43.1 WAO is ingetrokken, vervolgens voor WAO-uitkering in aanmerking wordt gebracht met toepassing van art. 43a.1.a WAO. De opnieuw toegekende WAO-uitkering wordt onder bepaalde voorwaarden toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer in dienst was ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de nadien ingetrokken WAO-uitkering werd genoten. De eerste voorwaarde is dat de werknemer opnieuw arbeidsongeschikt wordt binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de WAO-uitkering. De tweede voorwaarde is dat deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen. In die gevallen waarin de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid uit meerdere oorzaken is voortgekomen, moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld aan welke van die oorzaken het grootste gewicht toekomt. Aan de tweede voorwaarde is in die gevallen voldaan indien de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, moet worden aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de nadien opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid. De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan X over de periode van 24 juni 1992 tot 17 mei 1993 WAO-uitkering heeft genoten moet worden aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de bij X op 5 september 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid. De rechtbank beantwoordt die vraag, onder verwijzing naar de medische rapportages, i.c.ontkennend. Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT1539. Raad van Bestuur van het UWV, verweerder. mr. J.J.A. Kooijman
De uitspraak op rechtspraak.nl