Rb. Overijssel 25 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6076
Verlenging OTS + vader zonder gezag aangemerkt als belanghebbende gelet op doelen OTS.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351227 / JE RK 26-1455
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.M.M. Pater,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman.
1 Het verloop van de procedure
1.1 De kinderrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026;
een verweerschrift met bijlagen van mr. Pater, ontvangen op 21 september 2026;
een brief van mr. Duiveman met het verzoek de vader aan te merken als belanghebbende, ontvangen op 22 september 2026;
de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2026, ontvangen op 23 september 2026.
1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat,
de moeder met haar advocaat,
[naam 1] en [naam 2] namens de GI.
2. De feiten
2.1 De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3 De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 oktober 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 13 oktober 2026.
2.4 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij beschikking van 15 januari 2026 de beschikking van de kinderrechter van 13 oktober 2025 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bekrachtigd.
3 Het verzoek
3.1 De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor de onderbouwing van het verzoek verwijst de GI naar het verzoekschrift met bijlagen.
3.2 De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het nog onvoldoende gelukt is om de veiligheid van de kinderen bij de vader in kaart te brengen. De omgang is inmiddels stopgezet en de vader heeft gesprekken met zijn persoonlijke hulpverlening vanuit Nieuw Gezin. De GI pleit nu voor begeleide omgang tussen de vader en de kinderen. De kinderen willen namelijk graag contact met hun vader, maar vanwege de zorgelijke uitspraken die zij doen over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader en de zorgen die de moeder over hun veiligheid heeft, is begeleiding nodig. De voorkeur gaat uit naar begeleiding vanuit Trias zodat zicht verkregen kan worden op de veiligheid en op de zorgen. Trias kan ook bekijken of het de vader lukt om aan te sluiten op de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. Het hof heeft in de beschikking immers ook de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vraag of er sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Als dat niet speelt, dan zal er aandacht moeten zijn voor het door de vader leren aansluiten bij en het begrenzen van de seksuele ontwikkeling van de meiden. Ook hier kan Trias voor ingezet worden.
4 De standpunten
4.1 De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI. De ondertoezichtstelling heeft niet gezorgd voor een vooruitgang, maar heeft eerder gezorgd voor een achteruitgang. De ondertoezichtstelling heeft geen toegevoegde waarde. De moeder staat open voor de begeleide omgang en is zelf ook degene geweest die dit voorgesteld heeft. Dat kan binnen het vrijwillig kader plaatsvinden. Wel moet het contact veilig zijn. Volgens de moeder is er geen sprake van scheidingsproblematiek, maar van een veiligheidsrisico. De zorgelijke uitspraken die de kinderen doen over seksueel grensoverschrijdend gedrag zijn naar voren gekomen in gesprekken met de speltherapeuten en blijken duidelijk uit de gespreksverslagen. De moeder deelt al langer dat zij zorgen daarover heeft, maar de GI heeft daar onvoldoende meegedaan. Zij vraagt zich ook af of de vader hiervoor wel passende hulp krijgt. Zij hoort dat de vader gesprekken voert, maar ziet daar niets van terug. De vader en de GI leggen geen stukken over. De moeder voelt zich dan ook niet gezien en gehoord door de GI en heeft geen vertrouwen meer in de jeugdbescherming.
Ook vindt de moeder dat de kinderen onterecht onder toezicht zijn gesteld. Er was geen ontwikkelingsbedreiging en het raadsrapport en het plan van aanpak bevatten allerlei onjuistheden. De moeder verzoekt primair het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder de duur van de ondertoezichtstelling in te korten tot maximaal drie maanden. Meer subsidiair verzoekt de moeder de duur van de ondertoezichtstelling in te korten tot maximaal zes maanden.
4.2 De vader is het eens met het verzoek. Hij hoopt dat de begeleide omgang snel opgestart kan worden en dat er duidelijkheid komt over wat er precies speelt. De vader herkent dat hij geschreeuwd heeft tegen de kinderen, maar erkent het seksueel misbruik niet. Ook hij vindt het daarom belangrijk dat onderzoek gedaan wordt naar de zorgen die de moeder heeft over de kinderen. De vader staat open voor de hulpverlening die daarvoor nodig is. Hij voert op dit moment gesprekken met een orthopedagoog en een lichaamsgerichte therapeut voor zijn agressieproblematiek vanuit Nieuw Gezin. De vader heeft er verder geen vertrouwen in dat alles binnen het vrijwillig kader van de grond zal komen. De inzet van de jeugdbescherming is nodig.
5 De beoordeling
Ten aanzien van de procespositie van de vader
5.1 Naar aanleiding van de brief van mr. Duiveman van 22 september 2026 is de vraag aan de orde of de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt.
5.2 In artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. De Hoge Raad heeft al meerdere keren geoordeeld dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden geïnterpreteerd. Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488).
5.3 Vaststaat dat de vader niet het ouderlijk gezag uitoefent over de kinderen. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat ook de niet-gezaghebbende ouder aangemerkt kan worden als belanghebbende, wanneer er sprake is van ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de procedure op dat recht betrekking heeft. De bescherming van het familie- en gezinsleven kan tevens inhouden aanspraak te kunnen maken op een in voldoende mate betrokken worden in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven (Gerechtshof Amsterdam 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2483).
5.4 De kinderrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of het recht op ‘family life’ tussen de vader en de kinderen rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:273 en HR 10 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:55). De kinderrechter is van oordeel dat dit het geval is. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn onder andere de rol van de vader in het leven van de kinderen en het realiseren van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. In haar reactie op het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling maakt de moeder ernstige verwijten over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader. De moeder voegt gespreksverslagen toe waaruit dit gedrag zou blijken. Deze gespreksverslagen kan de vader als informant niet zien. Naar het oordeel van de kinderrechter moet de vader zich tegen de verwijten kunnen verdedigen, omdat deze mogelijk invloed kunnen hebben op de noodzaak en doelen van de ondertoezichtstelling. Dit kan alleen als de vader de inhoud van de gespreksverslagen kent. Deze zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft daarom rechtstreeks betrekking op de rechten en plichten van de vader. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vader in deze procedure als belanghebbende dient te worden aangemerkt, zodat hij de gelegenheid krijgt om van de stukken in deze procedure inclusief de gespreksverslagen kennis te nemen en zich daartegen te verweren.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.5 De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6 De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Het is het afgelopen jaar niet gelukt de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen. Bij de moeder zijn er nog altijd vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader naar de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover zorgelijke uitspraken gedaan in de gesprekken met de huisarts en de speltherapeuten. De vader erkent dat hij tegen de kinderen geschreeuwd heeft, maar kan zich niet herkennen in de signalen over seksueel misbruik. De moeder maakt zich hier langer zorgen om waardoor de omgang tussen de vader en de kinderen al voor een langere tijd stil ligt. Dit is niet wenselijk in het belang van de kinderen. Zij willen contact met hun vader en dit is in beginsel ook van belang voor hun (identiteits-)ontwikkeling. Het is wel belangrijk dat dit contact veilig plaatsvindt. De kinderrechter is het dan ook met de ouders en de GI eens dat de signalen van de kinderen serieus moeten worden genomen. Wat er precies speelt is onduidelijk, maar het is zorgelijk dat de kinderen deze uitlatingen doen ongeacht of deze terecht zijn of niet. De kinderrechter is met het gerechtshof van oordeel dat door professionals goed gekeken moet worden naar wat er aan de hand is. Het voornemen van de GI is om Trias hiervoor in te zetten zodat er meer zicht kan komen op de veiligheid van de kinderen bij de vader en op de vraag in hoeverre de zorgen een bedreiging voor de kinderen opleveren. De kinderrechter vindt het belangrijk dat dit voornemen wordt uitgevoerd. In de tussentijd zal de vader zich blijvend moeten inzetten voor persoonlijke hulpverlening om te werken aan zijn agressieproblematiek en zijn opvoedvaardigheden.
5.7 De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de kinderrechter er geen vertrouwen in heeft dat het de ouders op eigen kracht zal lukken de zorgen over de kinderen weg te nemen en om omgang te realiseren tussen de vader en de kinderen. Zij komen er onderling niet uit. Daarom is de hulp en regievoering vanuit de jeugdbescherming nodig om structureel begeleid contact tot stand te brengen terwijl de veiligheid van de kinderen gewaarborgd blijft. Ook kan de jeugdbescherming erop toezien dat de vader en de kinderen toekomen aan de voor hen benodigde hulpverlening om veiligheid tijdens de omgang te kunnen garanderen. Dit vraagt echter wel om de bereidheid van de beide ouders. Het is van groot belang dat zij zich actief inzetten, zich openstellen voor de hulpverlening en dat zij, in het belang van de meiden, samenwerken met de GI om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen.
5.8 De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Gelet op het werk dat de komende periode moet worden verricht, wordt een kortere duur, zoals verzocht door de moeder, niet haalbaar en wenselijk geacht. Er heerst nog teveel onduidelijkheid en er is tijd nodig om goed onderzoek te doen naar de situatie bij de vader en het realiseren van goede omgang. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom voor de duur van een jaar.
5.9 Ten aanzien van de klachten die de moeder over het raadsrapport naar voren heeft gebracht en de door haar overgelegde tegenrapportage, oordeelt de kinderrechter dat de eerste ondertoezichtstelling, definitief is geworden met de uitspraak van het gerechtshof. Het raadsrapport vormt de grondslag van deze eerste ondertoezichtstelling en niet van de mogelijke verlenging van de ondertoezichtstelling waarover de kinderrechter nu moet oordelen. De kinderrechter zal daarom aan het tegenrapport van de moeder voorbijgaan.
5.10 De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.11 De kinderrechter verklaart de beslissing over de ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1 merkt de vader aan als belanghebbende;
6.2 verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 13 oktober 2027;
6.3 verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. A. Mul, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mahmoud als griffier, en op schrift gesteld op 9 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.