Rb. Overijssel 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6042

Wsf 2000. Verzoek om verlenging diplomatermijn afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat er wel een causaal verband is tussen de bijzondere omstandigheden en het niet halen van een diploma binnen de diplomatermijn. Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit, herroepen primair besluit en zelf voorzien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/775
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser]),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister),
gemachtigde: mr. R.E.J. Jansen en mr. H. Bouhuys.

Procesverloop

1.1 Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de minister het verzoek van [eiser] om verlenging van de diplomatermijn afgewezen.

1.2 [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
14 januari 2026 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij dit besluit gebleven.

1.3 [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4 De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. [eiser] heeft aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door zijn begeleider [naam 1], ambulant hulpverlener bij Van Kammen Begeleiding. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1 [eiser] heeft een master aan de VU gevolgd. Aan hem is een prestatiebeurs toegekend. [eiser] is per september 2025 gestart met een andere opleiding, namelijk een HBO master lerarenopleiding. Het betreft een opleiding voor drie jaar in deeltijd.

2.2 [eiser] heeft de minister op 10 april 2025 verzocht om verlenging van de diplomatermijn. Hierop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1 De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [eiser] niet in aanmerking komt voor verlenging van de diplomatermijn. Niet gebleken is dat [eiser] vanwege het directe gevolg van een bijzondere omstandigheid het afsluitend diploma niet binnen de diplomatermijn kan behalen. De overstap en start van een nieuwe driejarige HBO master wordt gezien als een keuze. Die keuze kan niet leiden tot een verlenging van de diplomatermijn. [eiser] had ook voor een éénjarige of tweejarige master kunnen kiezen die hij wel binnen de diplomatermijn zou kunnen afronden. Hij heeft echter gekozen voor een driejarige HBO master wetende dat hij deze niet binnen de diplomatermijn kon afronden. De gevolgen van deze keuze komen dan ook voor zijn eigen rekening en risico. Dit kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de diplomatermijn kan worden verlengd.
De minister is daarbij afgeweken van de ondersteuning door de onderwijsinstelling. De verklaring van de onderwijsinstelling is niet zorgvuldig tot stand gekomen. Ondanks de bijzondere omstandigheid, dat [eiser] mantelzorg heeft verleend aan zijn alleenstaande vader, blijft het een keuze om voor een langere HBO master te kiezen die hij niet meer binnen de diplomatermijn kan afronden. Dat [eiser] het afsluitend diploma niet binnen de diplomatermijn kan behalen, is dan ook niet evident onredelijk of onbillijk. De minister heeft hierbij verwezen naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

3.2 [eiser] bestrijdt dat hij een keuze had om een andere (kortere) opleiding te volgen. Gedurende meerdere jaren bevond [eiser] zich in een uitzonderlijk zware thuissituatie. De omstandigheden hebben geleid tot ernstige vermoeidheid en depressieve klachten, waardoor [eiser] niet in staat was zijn studie naar behoren te volgen. Deze situatie wordt onderbouwd door medische verklaringen.
De onderwijsinstelling heeft hem geadviseerd de WO-master te beëindigen en de HBO-master te vervolgen. Met een toezegging vanuit de onderwijsinstelling voor het verlengen van zijn studietermijn en het toch kunnen behalen van zijn eerstegraadsbevoegdheid was dit enkel het opvolgen van professioneel en richtinggevend advies van de onderwijsinstelling en was hierbij geen sprake van een keuze. Het was een beslissing die voortkwam uit de inschatting van de onderwijsinstelling dat voortzetting van de WO-master niet haalbaar was. Hiermee wordt het standpunt dat sprake zou zijn van een bewuste en weloverwogen keuze om de diplomatermijn te overschrijden, gemotiveerd weerlegd. De onderwijsinstelling heeft de verlenging van zijn studietermijn toegezegd. Deze toezegging heeft bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zijn situatie als gegrond werd beoordeeld. [eiser] heeft een verklaring van 25 februari 2026 van zijn ambulant begeleider en een verklaring van 19 februari 2026 van de studentendecaan van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) in geding gebracht.

3.3 De minister ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft de minister gewezen op rechtspraak van de CRvB. De onderwijsinstelling ziet over het hoofd dat [eiser] het afsluitend diploma niet binnen de diplomatermijn gaat behalen vanwege een keuze. [eiser] had kunnen kiezen voor een éénjarige of tweejarige master, die hij wel binnen de diplomatermijn zou kunnen afronden. Door Fontys Hogeschool, Hogeschool Utrecht, NHL Stenden en HAN University of Applied Sciences worden tweejarige HBO-masters Wiskunde aangeboden.
[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de driejarige opleiding die hij heeft gekozen de enige geschikte optie voor hem was. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is niet gebleken. Niet de onderwijsinstelling maar de minister beslist over het verzoek tot verlenging van de diplomatermijn. Door uitlatingen van de onderwijsinstelling kan bij [eiser] daarom niet het gerechtvaardigd vertrouwen zijn gewekt dat zijn diplomatermijn zou worden verlengd.

Wettelijk kader

4.1 Ingevolge artikel 5.5 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is de diplomatermijn hoger onderwijs een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.

4.2 Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt, indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
Ingevolge artikel 5.16, tweede lid, van de Wsf 2000 wordt, indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
Ingevolge artikel 5.16, vijfde lid stelt de minister op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven.

Beoordeling door de rechtbank

5 De rechtbank beoordeelt of de minister het verzoek van [eiser] om verlenging van de diplomatermijn terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van wat [eiser] in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep slaagt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5.1 In zijn uitspraak van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781, heeft de CRvB onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 5.5 en 5.16 van de Wsf 2000 de bedoeling van de wetgever en, daarmee samenhangend, het toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om verlenging van de diplomatermijn uiteengezet. Kort samengevat geldt het volgende. Volgens de wetgever zal de ruim gestelde diplomatermijn van tien jaar slechts bij hoge uitzondering niet toereikend zijn om met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs te kunnen behalen. De in artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wsf 2000 getroffen voorzieningen zijn dan ook slechts bedoeld voor gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden. Uit een verklaring van de onderwijsinstelling, en in geval van medische omstandigheden tevens van een arts, zal moeten blijken dat voldaan is aan de in artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid van de Wsf 2000 is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, voorgeschreven verklaring(en) op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Het vereiste van een inzichtelijke en consistente motivering houdt ook in dat de in de verklaring(en) getrokken conclusie wordt gedragen door de gegeven motivering. Is daaraan niet voldaan, dan mag de minister die conclusie passeren.

5.2 De onderwijsinstelling heeft het door [eiser] toegezonden formulier Verzoek Voorziening hoger onderwijs bij bijzondere omstandigheden ingevuld door het vakje 'Verlenging van de diplomatermijn' aan te kruisen. Daarbij heeft de onderwijsstelling de volgende motivering vermeld:
"[naam 2] heeft tijdens de master aan de VU bijzondere familieomstandigheden en medische omstandigheden gehad, waardoor hij vertraagd is geraakt. Hij start per september 2025 met een (andere) HBO master lerarenopleiding. Deze opleiding is driejaar in deeltijd, waardoor de diplomatermijn overschreden gaat worden. Omdat zijn situatie bij ons bekend is, wil ik nu al vast diplomatermijnverlenging voor hem ondersteunen, zodat hij deze master omgezet kan krijgen wanneer hij zijn diploma behaalt."

5.3 De minister erkend dat sprake is van bijzondere omstandigheden, maar stelt zich op het standpunt dat deze bijzondere omstandigheden niet direct tot gevolg hebben dat [eiser] zijn diplomatermijn niet kan halen. [eiser] is gewisseld van studie. Indien hij een andere keuze had gemaakt, had hij wel binnen de diplomatermijn zijn studie kunnen afronden.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat met de verklaring van de onderwijsinstelling inzichtelijk en consistent is gemotiveerd dat er (wel) een causaal verband bestaat tussen de problemen van [eiser] en de studievertraging.

5.4.1 De rechtbank begrijpt dat [eiser] op advies van de onderwijsinstelling een keuze heeft gemaakt voor de driejaars opleiding in deeltijd. Hij heeft in beroep correspondentie overgelegd met diverse andere onderwijsinstellingen. Hieruit blijkt dat [eiser] is meegedeeld dat hij (waarschijnlijk) niet voldoet aan alle voorwaarden om rechtstreeks te worden toegelaten tot een opleiding voor het behalen van een eerstegraads bevoegdheid binnen de diplomatermijn. [eiser] mist een tweedegraads bevoegdheid of een vergelijk hiervan om te worden toegelaten. Dit was kennelijk ook het geval bij de onderwijsinstelling die voor [eiser] de aanvraag heeft ingediend. De mogelijkheden die de minister in het bestreden besluit heeft genoemd om binnen de diplomatermijn zijn opleiding af te ronden blijken hiermee niet haalbaar. Ter zitting heeft de minister nog een andere mogelijkheid genoemd. Hiervan is echter niet duidelijk of dit voor [eiser] gelet op de bijzondere omstandigheden, die in dit geval vast zijn komen te staan, haalbaar was. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in dit geval het advies van de onderwijsinstelling heeft kunnen volgen. Gelet op de ondoorzichtigheid van de mogelijkheden om zijn eerstegraads onderwijsbevoegdheid te kunnen halen en de beperkte mogelijkheden hiertoe door de toelatingseisen die daarvoor gelden, kan [eiser] in redelijkheid niet worden verweten dat hij gebruik heeft gemaakt van de door de onderwijsinstelling geboden mogelijkheid en heeft gekozen voor deze route om zijn eerstegraads onderwijsbevoegdheid te behalen. In dit verband merkt de rechtbank nog op geen aanleiding te zien eraan te twijfelen dat [eiser] ondanks zijn bijzondere omstandigheden zijn best heeft gedaan om desondanks zijn opleiding binnen de diplomatermijn te kunnen afronden. Ter zitting heeft de begeleider van [eiser] verklaard dat de onderwijsinstelling voor [eiser] een uitzondering heeft gemaakt, waardoor hij eerder met de opleiding kon beginnen.

Conclusie en gevolgen

6 Gelet op het vorenstaande, concludeert de rechtbank dat het besluit van de minister om het verzoek van [eiser] om verlenging van de diplomatermijn af te wijzen, een deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit is in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7 Het beroep is gegrond. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden voor diplomatermijnverlenging is voldaan. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen, het besluit van 17 juli 2025 herroepen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de diplomatermijn, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000, wordt verlengd met 36 maanden.

8 Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiser] het door hem betaalde griffierecht terug. De rechtbank is niet gebleken dat [eiser] in verband met het beroep voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft moeten maken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2026;

- herroept het besluit van 15 juli 2025;

- bepaalt dat de minister de diplomatermijn van [eiser] verlengt met 36 maanden;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 14 januari 2026;

- bepaalt dat de minister aan [eiser] het betaalde griffierecht van € 54,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken