Rb. Overijssel 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6040
PW. Het gaat in deze zaak om de afwijzing door het college van de door betrokkene aangevraagde bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en bewindvoering over de jaren 2023, 2024 en 2025. Betrokkene is het daar niet mee eens. De beroepsgronden slagen niet, zodat de afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand in stand blijft.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1467
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: meneer [eiser]),
gemachtigde: mr. E. Schriemer,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,
gemachtigde: [gemachtigde].
Samenvatting
Het gaat in deze zaak om de afwijzing door het college van de door meneer [eiser] aangevraagde bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en bewindvoering over de jaren 2023, 2024 en 2025. Meneer [eiser] is het daar niet mee eens. De beroepsgronden slagen niet, zodat de afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand in stand blijft.
Procesverloop
1.1 Bij besluit van 11 december 2025 heeft het college de aanvraag van meneer [eiser] om bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en bewindvoering afgewezen.
1.2 Meneer [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 op het bezwaar van meneer [eiser] is het college bij dit besluit gebleven.
1.3 Meneer [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4 De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van meneer [eiser] en de gemachtigde van het college deelgenomen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1 Meneer [eiser] ontvangt een Wajong-uitkering. Bij beschikking van
15 december 2023 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen van meneer [eiser]. Zijn vader, [naam], is hierbij benoemd tot bewindvoerder. Bij beschikking van eveneens 15 december 2023 heeft de kantonrechter tevens een mentorschap ingesteld ten behoeve van meneer [eiser]. Zijn vader is tot mentor benoemd. Meneer [eiser] verbleef vanaf 25 september 2025 intramuraal bij Dimence op grond van verplichte zorg.
2.2 Op 16 september 2025 heeft meneer [eiser] het college verzocht hem bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van mentorschap voor de jaren 2023, 2024 en 2025. Op 6 november 2025 heeft meneer [eiser] tevens verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering voor de jaren 2024 en 2025. Na onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.
Standpunten van partijen
Standpunt van het college
3 Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat meneer [eiser] voldoende draagkracht heeft om de kosten van mentorschap en bewindvoering te betalen. Indien er met terugwerkende kracht een Wlz-bijdrage betaald moet worden, kan meneer [eiser] contact opnemen met zijn consulent en kan een herberekening van de draagkracht worden gemaakt. Ten aanzien van de jaren 2023 en 2024 stelt het college zich op het standpunt dat de kosten zich niet voordoen, omdat is gebleken dat de kosten van mentorschap en bewindvoering in die jaren niet in rekening zijn gebracht bij meneer [eiser] en dat meneer [eiser] geen geld heeft overgemaakt aan zijn mentor/ bewindvoerder. Dat meneer [eiser] in 2023 en 2024 niet wist dat hij bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en bewindvoering kon aanvragen, levert geen dringende reden of bijzondere omstandigheid op om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
Standpunt van meneer [eiser]
4 Meneer [eiser] stelt dat het besluit van het college in strijd is met artikel 35 van de Participatiewet (PW), onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
4.1 Meneer [eiser] bestrijdt dat hij voldoende draagkracht heeft. Er is ten onrechte geen individuele berekening gemaakt. Het college had rekening moeten houden met de mogelijke eigen bijdrage van het CAK. Daarnaast heeft meneer [eiser] gewezen op persoonlijke uitgaven die ook tijdens verblijf in een instelling blijven bestaan, zoals kleding, verzorging, communicatie en vervoer. Reiskosten en andere persoonlijke lasten kunnen wel degelijk betekenis hebben bij de beoordeling van de feitelijke bestedingsruimte en de vraag of een theoretisch berekende draagkracht in werkelijkheid beschikbaar is voor de erkend noodzakelijke kosten van bewind en mentorschap.
4.2 Ten aanzien van de jaren 2023 en 2024 is het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig. Het college erkent dat de kosten noodzakelijk zijn, maar stelt ook dat deze kosten niet zijn gemaakt. Meneer [eiser] stelt dat de noodzaak van bewindvoering en mentorschap blijkt uit de beschikkingen van de kantonrechter. Voor particuliere bewindvoerders en mentoren gelden vaste jaarbeloningen waaruit volgt dat de kosten worden erkend. Het college heeft de beleidsregels inzake terugwerkende kracht onvolledig toegepast en heeft niet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeeld of de omstandigheden van het concrete geval aanleiding geven om van de beleidsregels af te wijken. Meneer [eiser] is een psychisch kwetsbare Wajong-gerechtigde, stond onder bewind en mentorschap, verbleef uiteindelijk intramuraal en was voor zijn belangenbehartiging afhankelijk van zijn vader, die geen professionele bewindvoerder was. Deze omstandigheden had het college ook op grond van artikel 3:2 en 3:4 van de Awb bij haar standpunt en de belangenafweging moeten betrekken.
4.3 Het college heeft de zorgvuldigheidsplicht geschonden bij het vergaren en waarderen van gegevens. Herhaaldelijk is om aanvullende informatie gevraagd, maar de gemeente was bekend met de beschermingsmaatregelen, opname bij Dimence, inkomen, gezinssamenstelling en met de facturen voor 2025. Het rapport bevat bovendien de opmerking dat vanwege de “historie” van de vader nogmaals een hersteltermijn is gestuurd. Een dergelijke passage wekt de indruk dat niet uitsluitend objectief en op de inhoud van de aanvraag is beoordeeld. Een meer op de persoon toegesneden benadering had in de rede gelegen. Het college heeft onvoldoende onderzocht welke informatie werkelijk beslissend was en hoe met eventuele bewijsnood bij deze kwetsbare belanghebbende moest worden omgegaan.
Verweer van het college
5. Het college ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Het college verwijst hierbij naar de reactie op het bezwaar, het verslag van de hoorzitting en het bestreden besluit.
Beoordelingskader
6.1 Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
6.2 Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026 (hierna: Beleidsregel) wordt voor het bepalen van de hoogte van de draagkracht in aanmerking genomen:
a. het deel van het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en
b. het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 en 50 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan de in die artikelen aangegeven maxima.
6.3 In artikel 2.4, eerste lid, van de Beleidsregel is bepaald dat de draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel gaat de periode van 12 maanden in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend, of met terugwerkende kracht vanaf de dag dat de bijstand wordt verleend.
Op grond van het vierde lid van dit artikel kan in afwijking van lid 1 van dit artikel de draagkracht eerder dan 12 maanden worden gewijzigd als er sprake is van een omvangrijke wijziging in de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.
Beoordeling door de rechtbank
7.1 De rechtbank beoordeelt of het college terecht heeft geweigerd bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van mentorschap en bewindvoering. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van wat meneer [eiser] in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
7.2 De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Over de jaren 2023 en 2024
8.1 Uit de gedingstukken blijkt dat voor de jaren 2023 en 2024 geen kosten van mentorschap en/of bewindvoering in rekening zijn gebracht bij meneer [eiser]. Tijdens de hoorzitting in bezwaar en de zitting van de rechtbank is dit bevestigd. De rechtbank volgt het college dan ook in zijn standpunt dat de kosten van mentorschap en/of bewindvoering zich niet hebben voorgedaan in de jaren 2023 en 2024.
8.2 Aangezien op grond van artikel 35 van de PW alleen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zich voordoen, heeft het college de aanvragen voor bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en/of bewindvoering over de jaren 2023 en 2024 terecht afgewezen. Aan beoordeling van wat is aangevoerd over de terugwerkende kracht en de draagkracht in de jaren 2023 en 2024 komt de rechtbank daardoor niet toe.
Over het jaar 2025
9. Niet in geschil is dat de kosten van mentorschap en bewindvoering over het jaar 2025 zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Uitsluitend is in geschil of meneer [eiser] voldoende draagkracht had om de kosten van mentorschap en bewindvoering zelf te kunnen voldoen.
9.1 De bijstandverlenende instantie heeft bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van artikel 35, eerste lid, van de PW beoordelingsruimte. Bij de beoordeling van de draagkracht vindt geen belangenafweging plaats, maar gaat het uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager om bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of het besluit over die draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter te beoordelen of de bijstandverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Indien wordt geoordeeld dat dit beleid de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat, moet vervolgens worden beoordeeld of het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van de Awb wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van dat beleid. Dit is vaste rechtspraak.
9.2 Het college heeft voor de toepassing van de beoordelingsruimte de Beleidsregel vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het college met de Beleidsregel binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
9.3 Op grond van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van de Beleidsregel wordt voor het bepalen van de hoogte van de draagkracht in aanmerking genomen het deel van het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Meneer [eiser] heeft niet bestreden dat het college zijn draagkracht heeft berekend conform de geldende Beleidsregel. Het college is voor de vaststelling van de draagkracht van meneer [eiser] uitgegaan van 130% van de instellingsnorm zoals bepaald in artikel 23 van de PW en 8% aan vakantietoeslag. Tussen partijen is met name in geschil of het college met toepassing van artikel 4:84 van de Awb in verband met bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de Beleidsregel.
9.4 Volgens meneer [eiser] had het college bij de vaststelling van zijn draagkracht in aanmerking moeten nemen dat hij in verband met de opname in de instelling een eigen bijdrage verschuldigd zal zijn aan het CAK. De rechtbank stelt echter vast dat nog niet bekend is of er door het CAK een eigen bijdrage zal worden geheven en ook niet welk bedrag dat dan zou zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college bij de vaststelling van de draagkracht van meneer [eiser] geen rekening heeft hoeven houden met een eventueel aan het CAK verschuldigde bijdrage. Het college heeft hierover verklaard dat alsnog rekening kan worden gehouden met een eigen bijdrage, als deze alsnog wordt opgelegd. Dit volgt ook uit artikel 2.4, vierde lid, van de Beleidsregel.
9.5 Meneer [eiser] heeft verder gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met extra kosten. Het betreft vervoerskosten van de mentor/bewindvoerder en kosten voor kleding, vitamines, verzorging, telefoon en dergelijke. De rechtbank stelt vast dat de geldende instellingnorm bedoeld is om dergelijke kosten te bestrijden. Daarbij komt dat in de Beleidsregel voor de vaststelling van de draagkracht rekening wordt gehouden met 130% van de norm. Dat 130% van de norm voor meneer [eiser] onvoldoende is om deze kosten te voldoen en dat de draagkracht dus op een lager bedrag moet worden vastgesteld, is niet gebleken. Daarbij merkt de rechtbank op dat meneer [eiser] de hoogte van de kosten niet concreet heeft gemaakt en deze ook niet met bewijsstukken heeft onderbouwd.
9.6 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college geen nader onderzoek heeft hoeven doen naar extra kosten van meneer [eiser]. In dit verband wijst de rechtbank erop dat sprake is van een aanvraag. Ingevolge vaste rechtspraak ligt het op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor bijstandsverlening is voldaan.
9.7 De rechtbank is verder van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. In zijn reactie op het bezwaar en ter zitting heeft het college er terecht op gewezen dat er juist zorgvuldig is gehandeld door meermaals opnieuw te vragen om de aanvraag aan te vullen met informatie die voor de beoordeling noodzakelijk is. In dit licht moet ook de verwijzing naar de 'historie' van de mentor/bewindvoerder worden gezien. Deze historie is voor het college blijkbaar aanleiding geweest om hem meer dan gebruikelijk in de gelegenheid te stellen de nodige gegevens over te leggen. Dit duidt niet op onzorgvuldigheid. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat van een mentor/bewindvoerder verwacht mag worden dat hij tijdig op verzoek de nodige gegevens aanlevert.
Conclusie en gevolgen
10 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11 Omdat het beroep ongegrond is, krijgt meneer [eiser] het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.