Rb. Overijssel 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6012
Einduitspraak na tussenuitspraak. Beroep gegrond, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Het UWV heeft de ZW-uitkering van eiseres per 6 mei 2024 terecht beëindigd. Het UWV heeft de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de in rechtsoverweging 7.1. van de tussenuitspraak genoemde rapporten aangevuld met de rapporten van 20 mei 2026 en 28 juli 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de FML van 26 maart 2024 de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 correct weergeeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2110
einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Berkel)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
In deze einduitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het UWV heeft de
ZW-uitkering van eiseres per 6 mei 2024 terecht beëindigd. Eiseres krijgt wel een vergoeding van haar proceskosten en het UWV moet het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Procesverloop
1.1 Voor het procesverloop van dit geschil verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 6 maart 2026 (de tussenuitspraak). In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.2 Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een nader rapport van 20 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd met een brief van 24 juni 2026. Vervolgens heeft het UWV een nader rapport van 28 juli 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegestuurd.
1.3 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarmee ingestemd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Verzekeringsgeneeskundig onderzoek
De tussenuitspraak
2.1 Voor de weergave van wat aan de besluitvorming vooraf ging, de standpunten van partijen, het toetsingskader en de bespreking van het geschil verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze einduitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak.
2.2 In rechtsoverweging 7.6. van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat nog onduidelijk is of de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 26 maart 2024 de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 correct weergeeft. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7.7. vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de psychische problemen van eiseres en het slechte slapen informatie heeft opgevraagd bij haar psycholoog M. Smid, maar deze niet heeft ontvangen. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover bij eiseres ook niet heeft doorgevraagd heeft de rechtbank geoordeeld dat onduidelijk is of de psychische problemen van eiseres en het slechte slapen wel voldoende zijn meegenomen. Verder heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7.8. vastgesteld dat eiseres rond de datum in geding Tramadol gebruikte. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet blijkt of hiermee bij het vaststellen van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden.
2.3 In rechtsoverweging 8.1. heeft de rechtbank geoordeeld dat het UWV, om de gebreken te herstellen, nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek moest doen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moest bij psycholoog Smid of bij eiseres zelf informatie inwinnen over de psychische problemen van eiseres en het slechte slapen. Verder moest de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn beoordeling betrekken dat eiseres rond de datum in geding Tramadol gebruikte. De verzekeringsarts bezwaar en beroep diende, met inachtneming van de nadere informatie over de psychische problemen, het slechte slapen en het feit dat eiseres rond de datum in geding Tramadol gebruikte, de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 opnieuw vast te stellen. Vervolgens moest het UWV de mate van arbeidsgeschiktheid van eiseres op
6 mei 2024 opnieuw vaststellen.
De herstelpoging en de reactie daarop
3.1 Het UWV heeft nadere rapporten van 20 mei 2026 en 28 juli 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie opgevraagd bij Dimence, psycholoog Smid.
3.2 Uit een brief met bijlagen van 11 mei 2026 blijkt dat eiseres vanaf 15 januari 2025 bij Smid in behandeling is geweest. Smid heeft de op 30 maart 2023 vastgestelde diagnose andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis bevestigd. In de informatie van Smid staat dat vanwege langdurige traumagerelateerde klachten traumabehandeling (EMDR of imaginaire exposure) werd geadviseerd. De behandeling werd pas gestart in oktober 2025, omdat eiseres stress ervaarde door lopende procedures met het UWV. In samenspraak is besloten de behandeling na de rechtszaak te starten. In de tussentijd heeft sociaalpedagogisch hulpverlener [naam] eiseres begeleid. Toen eiseres in oktober 2025 kon starten met traumabehandeling, meldde ze dat haar klachten door zelf uitgevoerde exposure-oefeningen aanzienlijk waren verminderd. Zij rapporteerde op dat moment geen herbelevingen, geen nachtmerries en een duidelijke afname van spanning en vermijding. Op basis hiervan is in een gezamenlijk evaluatiemoment door de behandelaar vanuit de SGGZ en de regiebehandelaar van eiseres besproken dat zij geen hulpvraag meer had voor traumabehandeling. Volgens de brief bleven gedurende de maanden daarna stressvolle omstandigheden spelen, maar bleef eiseres stabiel. Zij wist spanning beter te reguleren. In een gesprek op 3 februari 2026 heeft eiseres verteld dat zij zich emotioneel sterker voelt en geen duidelijke hulpvraag voor behandeling heeft. In overleg is besloten het traject binnen Dimence te beëindigen en de huisarts te adviseren om eiseres te verwijzen naar de POH-GGZ voor ondersteunende, laagfrequente gesprekken en zo nodig meedenken over eventuele inzet van het sociaal wijkteam. Op 27 februari 2026 is de behandeling bij Dimence geëindigd.
3.3 De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 20 mei 2026 en
28 juli 2026 toegelicht waarom hij in de medische feiten die Smid beschrijft geen reden ziet voor het stellen van meer dan wel andere beperkingen per 6 mei 2024.
3.4 Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV met de nadere rapporten de geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. Volgens eiseres is nog steeds niet deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom de psychische klachten, de slaapproblematiek en het gebruik van Tramadol geen aanleiding geven tot verdergaande beperkingen. Eiseres is van mening dat nog steeds niet duidelijk is of de psychische problematiek en de slaapproblematiek op 6 mei 2024 voldoende zijn meegewogen in de FML. Eiseres wijst erop dat volgens de medische informatie van Smid de psychische problematiek reeds voor en rond de datum in geding aanwezig was. Toen was sprake van structurele traumagerelateerde problematiek.
Beoordeling van de rechtbank
4.1 De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de in rechtsoverweging 7.1. van de tussenuitspraak genoemde rapporten aangevuld met de rapporten van 20 mei 2026 en
28 juli 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de FML van 26 maart 2024 de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 correct weergeeft. De rechtbank licht dit als volgt toe. Zij verwijst naar rechtsoverwegingen 7.1. tot en met 7.5. van de tussenuitspraak. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank het volgende.
4.2 De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat slecht slapen en herbelevingen kunnen passen bij de door [naam] gestelde en door Smid bevestigde diagnose andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Maar hij heeft duidelijk uitgelegd waarom in de situatie van eiseres op 6 mei 2024 geen sprake was van meer of verdergaande beperkingen, dan die in de FML van 26 maart 2024 staan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vast dat eiseres pas ongeveer 8 maanden na 6 mei 2024 voor het eerst is gezien door de GZ-psycholoog die de diagnose van [naam] overneemt en geen nieuwe, bijkomende diagnose heeft gesteld. Bij de informatie die de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij Smid heeft opgevraagd bevindt zich een behandelovereenkomst van 16 oktober 2025. Daarin staat dat eiseres is verwezen wegens PTSS-klachten: nachtmerries, een gevoel van onveiligheid, slecht slapen door veel piekeren, dissociatie, ‘s nachts herbelevingen, wantrouwen in andere mensen en plekken en vermijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er in het rapport van 28 juli 2026 echter terecht op dat uit de brief van 11 mei 2026 niet blijkt dat Smid de slaapproblemen heeft bevestigd. Verder merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht op dat ook [naam] in de brief van 8 mei 2025 geen melding heeft gemaakt van de slaapproblemen. De rechtbank voegt hieraan toe dat ook uit de voortgangsrapportage van [naam] niet blijkt dat eiseres rond 6 mei 2024 te maken had met slaapproblemen. Gelet op de informatie van Smid en [naam] kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook volgen als hij concludeert dat het slechte slapen en de herbelevingen op 6 mei 2024 niet zo ernstig waren dat meer en verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen in de rubrieken 1 en 2 en de duurbelastbaarheid. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende informatie over de psychische problemen van eiseres en het slapen op 6 mei 2024 meegewogen. Hij heeft de medische gegevens, waaronder de brief van Smid, op navolgbare wijze bij de beoordeling betrokken.
4.3 Volgens de FML van 26 maart 2024 kan eiseres in eenvoudige taken geen hoog dwingend handelingstempo aan. Ook kan eiseres niet werken in omstandigheden waar een verhoogde alertheid wordt gevraagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 20 mei 2026 en 28 juli 2026 voldoende gemotiveerd waarom het gebruik van Tramadol niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen per 6 mei 2024. Hij heeft toegelicht dat Tramadol een licht tot matig negatieve invloed heeft op de rijvaardigheid. Uit de informatie blijkt dat eiseres langdurig gewend is aan het gebruik van Tramadol. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgelegd dat eiseres namelijk al vanaf
9 september 2022 Tramadol gebruikt en dat op 9 februari 2024 alleen sprake was van een productwissel binnen Tramadol. Dit blijkt uit de medicatieoverzichten in het dossier. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van belang geacht dat eiseres zelf auto rijdt, dat bij de hoorzitting op 2 april 2025 geen sprake bleek van een verminderde concentratie of alertheid en dat eiseres tijdens het spreekuur met verzekeringsarts M. Kuiper op
26 maart 2024 en tijdens de hoorzitting op 2 april 2025 haar situatie goed kon verwoorden en sprake bleek van een normaal cognitief functioneren. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat uit de brief van 26 april 2024 van de pijnpoli niet blijkt dat op 23 april 2024 sprake was van klachten in relatie tot het gebruik van Tramadol. Met deze toelichting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat het gebruik van Tramadol in de situatie van eiseres niet hoeft te leiden tot verdergaande of meer beperkingen waaronder een beperking voor auto rijden.
4.4 De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de nadere rapporten de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024, zoals deze is vastgelegd in de FML van 26 maart 2024, voldoende onderbouwd. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige in te schakelen.
4.5 Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV voor de belastbaarheid van eiseres op 6 mei 2024 mag uitgaan van de FML van 26 maart 2024.
Arbeidskundig onderzoek
5.1 De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor eiseres de functies productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (SBC-code 111180), assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) geselecteerd. Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat eiseres in staat is om deze aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 juni 2025 en de resultaat functiebeoordeling van diezelfde datum in samenhang met de resultaat functiebeoordeling van 3 april 2024 uitgelegd waarom eiseres geschikt is voor deze functies. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van eiseres zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van eiseres mogelijk wordt overschreden, is voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn.
5.2.1 Volgens de FML is eiseres aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Zij kan wel omgaan met storingen en onderbrekingen zolang dit geen wezenlijk onderdeel vormt van de functie. Eiseres is tevens aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Zij kan deadlines en productiepieken hanteren in eenvoudig productiematig/routinematig werk. Verder is eiseres aangewezen op arbeid waarin geen hoog handelingstempo vereist is. Eiseres kan in eenvoudige taken geen hoog dwingend handelingstempo aan. In de geselecteerde functies is geen sprake van signalering op deze items, zodat de belastbaarheid van eiseres op de punten tempo, deadlines, productiepieken en concentratie niet wordt overschreden.
5.2.2 Volgens de FML is eiseres in dynamische handelingen (rubriek 4) onder meer licht beperkt in frequent buigen tijdens het werk. Trappenlopen is beperkt in frequentie mogelijk. In de geselecteerde functies komen op deze punten geen signaleringen voor, zodat van overschrijding van de belastbaarheid als het gaat om repetitieve handelingen geen sprake is.
5.2.3 Voor zover het gaat om statische houdingen (rubriek 5) is eiseres volgens de FML licht beperkt in zitten en zitten tijdens het werk, beperkt in staan en staan tijdens het werk en sterk beperkt in gebogen en/of getordeerd actief zijn. Op de items zitten, zitten tijdens het werk en gebogen en/of getordeerd actief zijn komen in de geselecteerde functies geen signaleringen voor. Voor zover het gaat om staan en staan tijdens het werk hebben de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de functies toch passend zijn. Volgens de FML kan eiseres maximaal 2 uren per 8-urige werkdag staan en kan zij maximaal 2 uren per 8-urige werkdag lopen, niet cumulatief met staan. In de functie assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) zou eiseres dagelijks gedurende ongeveer 2 uren moeten staan. Dit is tijdens 8 werkuren ieder uur 2 maal ongeveer 5 minuten achtereen en tijdens 8 werkuren ieder uur 2 maal ongeveer 1 minuut achtereen. De arbeidsdeskundige licht in de resultaat functiebeoordeling van 3 april 2024 toe dat dit geschikt is omdat het staan in totaal 8x2x5 = 80 minuten + 8x2x1= 16 minuten plaatsvindt en het lopen 8x2x1 =16 minuten. In totaal gaat het om 16 + 16 + 80 = 112 minuten, dus minder dan 2 uur. In een andere functie binnen deze SBC-code moet ook staand werk verricht worden. De arbeidsdeskundige vindt die functie geschikt, omdat lopen en staan gezamenlijk minder dan 2 uur per werkdag voorkomt. Daarom vinden de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies passend voor eiseres.
5.2.4 Eiseres is volgens de FML aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Eiseres kan niet in omstandigheden werken waar een verhoogde alertheid wordt gevraagd, zoals op hoogtes/open water/verkeer/hete leidingen/open vuur/chemicaliën. De arbeidsdeskundige heeft in de resultaat functiebeoordeling van 3 april 2024 vermeld dat in de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) werken met een soldeerbout ter grootte van een pen voorkomt, die automatisch uitgaat wanneer hij in de houder wordt geplaatst. De arbeidsdeskundige vindt dat het werken met een soldeerbout niet behoort tot de in de FML genoemde persoonlijke risico’s. De arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep achten de functies daarom op dit punt passend voor eiseres.
5.3 De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarmee de geschiktheid van de functies voor eiseres voldoende overtuigend hebben toegelicht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiseres met de qua loon middelste van de geselecteerde functies (assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041)) 68,6% kan verdienen van het salaris dat zij had als assemblagemedewerker bij Scania.
Conclusie en gevolgen
6.1 Dit alles leidt tot de slotsom dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per
6 mei 2024 terecht heeft vastgesteld op meer dan 65% (68,6%), zodat de ZW-uitkering van eiseres per die datum terecht is beëindigd.
6.2 Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het UWV met de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 20 mei 2026 en 28 juli 2026 in zijn reactie op de tussenuitspraak de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
6.3 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
6.4 Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt in totaal € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.