Rb. Overijssel 29 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5786

Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser over de maand januari 2025 en de daarmee samenhangende boete die aan eiser is opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1268
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], [eiser]
(gemachtigde: mr. L. de Widt),
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college
(gemachtigde: mr. D. Platter).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van [eiser] over de maand januari 2025 en de daarmee samenhangende boete die aan [eiser] is opgelegd. [eiser] is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiser] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Bij besluit van 20 juni 2025 heeft het college [eiser] bericht de aan hem verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 te herzien op grond van artikel 54, lid 3, Participatiewet (PW). Het bedrag dat hij ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen over deze periode wordt teruggevorderd ten bedrage van € 1.150,00.

3 Bij besluit van 8 juli 2025 heeft het college aan [eiser] een boete opgelegd van € 820,00.

4 Met het bestreden besluit van 11 maart 2026 op de bezwaren van [eiser] is het college bij die besluiten gebleven. De motivering van het besluit van 20 juni 2025 is aangevuld in die zin dat de grondslag van de terugvordering gewijzigd wordt naar artikel 58, eerste lid, van de PW.

5 [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

6 De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

7 [eiser] had vanaf 1 oktober 2024 een uitkering op grond van de PW naar de norm van een alleenstaande.

Bij brief van 17 april 2025 heeft het college bij [eiser] inkomensgegevens opgevraagd over de periode januari tot en met maart 2025. [eiser] werd hiertoe in de gelegenheid gesteld tot 2 mei 2025.

Bij besluit van 13 mei 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van [eiser] opgeschort met ingang van 2 mei 2025, omdat [eiser] geen inkomensgegevens had overgelegd. Daarbij is [eiser] opnieuw in de gelegenheid gesteld tot het overleggen van (onder meer) bankafschriften over de periode van januari tot en met maart 2025, teneinde zijn recht op uitkering te kunnen beoordelen.

[eiser] heeft de verzochte informatie aan het college verstrekt.

Naar aanleiding van de verstrekte gegevens heeft het college [eiser] uitgenodigd voor een gesprek op 10 juni 2026.

Mede naar aanleiding van de door [eiser] verstrekte informatie is de rapportage van 19 juni 2025 (hierna: de rapportage) opgemaakt, waarin de bevindingen van het college zijn opgenomen. In de rapportage is, voor zover thans van belang, opgenomen dat in de maand januari 2025 een tweetal betalingen te zien zijn van het bedrijf ZUN media B.V van in totaal € 1.150,--, te weten € 300,-- voor “kosten boodschappen” en € 850,--“voor chauffeur diensten”

Na deze rapportage heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop”.

Beroepsgronden

8 [eiser] stelt dat hij over de periode in geding recht had op een bijstandsuitkering en dat het college ten onrechte zijn uitkering heeft herzien, teruggevorderd en hem een boete heeft opgelegd. Dit heeft hij als volgt toegelicht.

[eiser] wilde graag de mogelijkheden onderzoeken om te bezien of hij een eigen bedrijf zou kunnen opzetten. [eiser] stelt dat daadwerkelijk marktonderzoek gedaan moest worden om te bezien waar de vraag in de markt precies lag en of dat rendabel voor hem zou zijn. In dat kader heeft hij in januari 2025 meegelopen bij het bedrijf ZUN Media BV. In die periode heeft hij boodschappen gedaan voor het bedrijf en dagelijks dames van A naar B gereden voor werkzaamheden op locatie. Vervolgens heeft ZUN Media B.V. de kosten die [eiser] hiervoor heeft gemaakt aan hem vergoed als onkostenvergoeding. Er was geen sprake van een dienstverband en er was ook geen sprake van een arbeidsovereenkomst en evenmin van het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige.

Aangezien geen sprake was van inkomsten, maar van een onkostenvergoeding bestond ook geen noodzaak om het college hierover te informeren. De inlichtingenplicht is daarom niet geschonden en er is geen rechtsgrond voor het opleggen van een boete, aldus eiser.

Subsidiair stelt [eiser] dat als hij vooraf aan het college had gevraagd of hij de boodschappen en het brengen van dames van A naar B gedurende de maand januari 2025 zou mogen doen met behoud van uitkering en dat het college daar geen bezwaar tegen had.

Meer subsidiair stelt [eiser] dat sprake is van een gift. Deze giften komen niet uit boven het maximaal vrijgestelde bedrag dat in het beleid van het college staat.

Beoordeling door de rechtbank

9 De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden.

10 Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. De betrokkene moet dan aannemelijk maken dat hij, als hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad.

11 De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog dat sprake was van een onkostenvergoeding. Hij heeft deze stelling enkel onderbouwd met zijn eigen verklaring en bankafschriften. Weliswaar blijkt uit de bankafschriften dat [eiser] in de periode in geding veelvuldig heeft gepind in de omgeving van Broek in Waterland, maar niet dat het hierbij ging om onkosten die hij maakte in opdracht van het bedrijf waar hij stelt te hebben meegelopen. Daar komt bij dat hij zijn stellingen niet heeft onderbouwd met stukken, zoals bankafschriften, waaruit kan blijken welke onkosten hij dan heeft gemaakt, pinbonnen of kilometerafstanden. Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel in aanmerking genomen als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Het college heeft de gestorte bedragen van ZUN Media dan ook terecht als zodanig aangenomen.

Gelet op het voorgaande had [eiser] deze middelen bij het college moeten melden. Hij was hier al eerder op gewezen door het college ten tijde van zijn aanvraag in 2024. Uit de rapportage blijkt dat in 2024 uitdrukkelijk is besproken dat hij werkzaamheden bij en inkomsten van ZUN Media moest melden. Tevens is het beleid van het college ten aanzien van bijschrijvingen ten aanzien van derden besproken.

Nu [eiser] de middelen niet uit eigen beweging heeft gemeld bij het college, is sprake van een schending van zijn inlichtingenplicht.

De stelling van [eiser] dat hij toestemming zou hebben gekregen voor deze middelen als hij dit vooraf zou hebben gemeld volgt de rechtbank niet. Dit is op geen enkele wijze onderbouwd en strookt ook niet met hetgeen met [eiser] is besproken ten tijde van zijn aanvraag.

Gelet op bovenstaande behoeft het betoog dat sprake zou zijn van giften niet langer een bespreking. Het college heeft terecht aangenomen dat sprake is van middelen en niet van giften. Dat blijkt ook uit het eigen verhaal van [eiser]. De rechtbank wijst er in dit verband ook nog op dat het college over de betreffende periode al een aantal bijschrijvingen van in totaal € 490,00 als giften heeft aangemerkt.

12 Gelet op het voorgaande is het college terecht overgegaan tot herziening en terugvordering van de uitkering. Tegen de opgelegde boete zijn geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank ziet geen reden om de boete niet rechtmatig te achten; met de draagkracht van [eiser] is al rekening gehouden en van dringende redenen voor vermindering is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

13 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 31

1 Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2 Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

(…)

k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per persoon

(…)

m. giften, voor zover de som van deze giften en de bijdragen, bedoeld in artikel 18, achtste lid, niet meer bedraagt dan € 1.200,00 per kalenderjaar;

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken